Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11527

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
AWB 24/11307
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2c Vreemdelingenwet 2000Art. 1.16 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 4.19 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 4.27 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 4.28 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boeteoplegging wegens schending zorg-, administratie- en informatieplicht door au pair platform

Eiseres, een platform voor au pairs, werd door verweerder onderzocht op naleving van zorg-, administratie- en informatieplichten. Uit onderzoek van zeven dossiers en een controlebezoek werden meerdere overtredingen vastgesteld, waarvoor een boete van €32.400 werd opgelegd.

De rechtbank oordeelt dat de meeste overtredingen terecht zijn vastgesteld, maar vijf overtredingen onterecht. Dit leidt tot een matiging van de boete met 10%. Daarnaast wordt de boete verder gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De rechtbank concludeert dat eiseres een boete van €26.660 moet betalen.

De overtredingen betreffen onder meer onvoldoende zorgvuldige selectie en werving van au pairs en gastgezinnen, niet naleven van het eigen uitwisselingsprogramma, gebrekkige administratie van contactmomenten en evaluaties, en onvoldoende vastlegging van acties bij problemen. De rechtbank wijst bezwaren van eiseres af, waaronder dat normen onvoldoende helder zouden zijn en dat verbetermaatregelen zijn genomen.

De rechtbank herroept het bestreden besluit en stelt zelf de boete vast. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken op 12 mei 2026.

Uitkomst: De boete wordt gematigd tot €26.660 wegens deels onterechte overtredingen en overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/11307
uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 12 mei 2026 in de zaak tussen

Nina Care B.V., eiseres

(gemachtigde: J. Kok),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.L. Batting).

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2023 heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete van € 32.400,- opgelegd.
Bij besluit van 17 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 17 oktober 2025 een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft op 27 en 29 oktober 2025 nadere beroepsgronden ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Namens eiseres zijn directeur [naam 1] en haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder heeft ook mevrouw [naam 2] aan de zitting deelgenomen.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder tot [datum 7] 2026 de gelegenheid te geven op de nadere beroepsgronden van 27 en 29 oktober 2025 te reageren. De beroepsgronden van 27 oktober 2025 zijn ingebracht door J. Luscuere, de voormalig gemachtigde van eiseres.
Verweerder heeft op 23 december 2025 een verweerschrift ingediend. Hierna heeft eiseres op 20 januari 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 11 februari 2026 opnieuw op zitting behandeld. Namens eiseres zijn directeur [naam 1] en haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder heeft ook mevrouw [naam 2] aan de zitting deelgenomen. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Omdat de rechtbank daarna van oordeel was dat het onderzoek niet volledig is geweest, heeft de rechtbank op 20 februari 2026 het onderzoek heropend. Op 25 februari 2026 heeft eiseres nadere financiële stukken overgelegd. Verweerder heeft daar in een verweerschrift van 19 maart 2026 op gereageerd.
Nadat partijen hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan het behandelen van het beroep op een nadere zitting, heeft de rechtbank op 30 maart 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden
1. Nina Care (eiseres) is een platform voor au pairs, oppas- en seniorenzorg. In de periode van 29 september 2020 tot 9 september 2025 beschikte zij over een erkenning als referent voor het verblijfsdoel ‘uitwisseling’ in de zin van artikel 2c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aan de hand van de dossiers van zeven au pairs en met een controlebezoek op 4 juli 2022 heeft verweerder onderzoek gedaan naar de nakoming door eiseres van de op haar rustende verplichtingen. Er is onderzoek gedaan naar de dossiers van de volgende zeven au pairs:
- [au pair 1] , [datum 1] 1998, Marokkaanse nationaliteit (au pair 1);
- [au pair 2] , [datum 2] 1996, Keniaanse nationaliteit (au pair 2);
- [au pair 3] , [datum 3] 1995, Keniaanse nationaliteit (au pair 3);
- [au pair 4] , [datum 4] 1999, Keniaanse nationaliteit (au pair 4);
- [au pair 5] , [datum 5] 1991, Colombiaanse nationaliteit (au pair 5);
- [au pair 6] , [datum 6] , Braziliaanse nationaliteit (au pair 6);
- [au pair 7] , [datum 7] 1996, Vietnamese nationaliteit (au pair 7).
1.1
Naar aanleiding van de in het onderzoek naar voren gekomen informatie, heeft verweerder op 26 augustus 2022 een rapport van bevindingen opgesteld. Verweerder heeft in de zeven dossiers 23 overtredingen van de zorgplicht, 31 overtredingen van de administratieplicht en vijf overtredingen van de informatieplicht geconstateerd. Verweerder heeft vervolgens op 7 april 2023 een voornemen uitgebracht. Naar aanleiding van de daarin geconstateerde overtredingen, heeft verweerder kenbaar gemaakt dat hij voornemens is een boete voor een bedrag van € 32.400,- op te leggen.
1.2.
In het besluit van 18 juli 2023 en het bestreden besluit van 17 juni 2024 heeft verweerder de in het voornemen geconstateerde overtredingen gehandhaafd. Daarom heeft verweerder ook het boetebedrag in de besluiten gehandhaafd en een boete van € 32.400,- opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt vast dat eiseres in haar verschillende beroepsgronden de geconstateerde overtredingen heeft betwist. De rechtbank zal hierna aan de hand van deze gronden de door verweerder geconstateerde overtredingen beoordelen en bespreken. Daarna zal de rechtbank ingaan op de hoogte van de boete en de financiële draagkracht van eiseres.
2.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de meeste overtredingen terecht heeft geconstateerd en eiseres daarvoor mocht beboeten. De rechtbank oordeelt dat vijf overtredingen ten onrechte zijn geconstateerd. De rechtbank ziet daarin reden om de boete met tien procent te matigen. Daarnaast wordt de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn verder gematigd.
De geconstateerde overtredingen algemeen
3. Verweerder heeft geconstateerd dat de werkwijze van eiseres in algemene zin op drie onderdelen niet overeenkomt met het door verweerder goedgekeurde uitwisselingsprogramma. Eiseres heeft daarmee haar zorgplicht overtreden. Allereerst staat in het uitwisselingsprogramma dat zij een online check doet bij de gastgezinnen op sociale media, maar eiseres heeft tijdens het controlebezoek verklaard dit niet te doen. Daarnaast staat in het uitwisselingsprogramma dat er elke drie weken contact is met de au pair en er een standaard vragenlijst wordt ingevuld. Tijdens het controlebezoek heeft eiseres echter aangegeven dat er één contactmoment is per vier weken waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een standaardvragenlijst. Ten slotte wordt er anders dan in het uitwisselingsprogramma staat niet samengewerkt met mevrouw [naam 4] .
3.1
Eiseres erkent dat de sociale mediachecks niet zijn uitgevoerd, maar dit is slechts een klein verzuim waarvoor geen overtreding hoeft te worden vastgesteld. Het niet correct vastleggen van de vragenlijsten is verder geen overtreding van de zorgplicht, maar van de administratieplicht. Daarom is de grondslag van de boete niet geldig. Dat eiseres niet om de drie, maar om de vier weken contact had met de au pair is een zeer geringe afwijking. De beëindiging van de samenwerking met mevrouw [naam 4] is slechts organisatorisch van aard en raakte niet aan de inhoud of naleving van het uitwisselingsprogramma zelf.
3.2
De rechtbank constateert dat in artikel 1.16, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) staat dat eiseres zorg moet dragen voor de juiste uitvoering van haar eigen uitwisselingsprogramma. In het uitwisselingsprogramma legt de referent vast hoe zij invulling geeft aan de aan het erkend referentschap verbonden rechten en plichten. Verweerder mag erop vertrouwen dat eiseres de daarin aangegane verplichtingen nakomt. Ten aanzien van de drie genoemde verplichtingen is niet in geschil dat deze in het door eiseres opgestelde uitwisselingsprogramma zijn opgenomen. Ook erkent eiseres in haar gronden feitelijk dat zij zich op deze drie onderdelen niet aan haar eigen uitwisselingsprogramma heeft gehouden. Daaruit volgt al dat verweerder deze overtredingen van de zorgplicht terecht heeft geconstateerd. Hetgeen eiseres in haar beroepsgronden aanvoert is niet relevant voor de geldigheid van deze geconstateerde overtreding.
De geconstateerde overtredingen in de zeven onderzochte dossiers
Zorgplicht - selectie en motivering geschiktheid au pairs
4. Verweerder heeft geconstateerd dat eiseres in alle zeven onderzochte dossiers geen afdoende zorgvuldige selectie en werving van de au pair en het gastgezin heeft uitgevoerd. Dat is in strijd met artikel 1.16, tweede lid, van het Vb.
4.1
Eiseres voert aan dat zij afdoende zorg heeft gedragen voor de zorgvuldige selectie en werving van de au pair en het gastgezin. Ter onderbouwing wijst eiseres op bijlages 19 t/m 23 bij de gronden van 27 oktober 2025. Hieruit volgt volgens eiseres dat zij voor de indiening van de aanvragen wel beschikte over voldoende informatie om de geschiktheid van de au pairs en gastgezinnen te beoordelen.
4.2
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat er ten aanzien van au pair 1 geen afdoende zorgvuldige selectie en werving heeft plaatsgevonden. In het aanvankelijke dossier bevond zich enkel een standaardvragenlijst waarin antwoorden van de au pair tijdens een video-interview zijn weergegeven. Verweerder heeft mogen constateren dat eiseres daarmee geen afdoende zorgvuldige selectie en werving van de au pair en het gastgezin heeft uitgevoerd. Dat eiseres bij de beroepsgronden een stuk heeft overgelegd waarin de match uitgebreider wordt gemotiveerd, is verder niet relevant. Deze bijlage is nieuw opgesteld, derhalve een verklaring achteraf waarmee niet alsnog aannemelijk is gemaakt dat de werving en selectie afdoende zorgvuldig zijn uitgevoerd.
4.3
De rechtbank volgt ook het standpunt van verweerder dat er ten aanzien van au pairs 2, 3, 4, 6 en 7 geen afdoende zorgvuldige selectie en werving heeft plaatsgevonden. Voor deze au pairs bevond zich in de dossiers een document van enkele pagina’s met onder andere beantwoorde vragen en persoonlijke gegevens van de au pair. Verweerder stelt zich ten aanzien van deze au pairs echter terecht op het standpunt dat de onderbouwing onder het kopje “
Why was this au pair selected for this family”te beperkt is. Verweerder wijst er ten aanzien van au pairs 2 t/m 4 terecht op dat onduidelijk is hoe sprake kan zijn van culturele uitwisseling als, zoals hier het geval is, het gastgezin en de au pair dezelfde nationaliteit hebben. Verder is er ook geen aandacht besteed aan de omstandigheid dat au pair 2 zichzelf heeft aangemeld via een zelfmatch. Verweerder heeft ten slotte ook ten aanzien van au pair 5 mogen stellen dat er geen afdoende zorgvuldige selectie en werving heeft plaatsgevonden. Hierbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiseres er ten onrechte geen aandacht aan heeft besteed dat de au pair eerder voor een ander au-pairbureau heeft gewerkt. Dat au-pairbureau had het vertrouwen in de au pair opgezegd omdat de au pair een al bestaande romantische relatie in Nederland had verzwegen. Dit is volgens het uitwisselingsprogramma van eiseres een reden om iemand niet te selecteren, maar eiseres heeft de au pair toch geselecteerd en nagelaten om uit te leggen waarom die beslissing is genomen.
4.4
De stelling van eiseres in de gronden van 20 januari 2026 dat er nieuwe relevante informatie over werving en selectie is overgelegd, volgt de rechtbank niet. De aangehaalde bijlagen bestaan uit Excel-bestanden waarin antwoorden van de au pairs worden weergegeven op een viertal vragen. Hiermee is niet gemotiveerd waarom de au pair aan het bewuste gezin is gekoppeld.
4.5
Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten aanzien van alle au pairs een overtreding van artikel 1.16, tweede lid, van het Vb mogen constateren.
Zorgplicht – kennis van wet en regelgeving
5. Verweerder heeft zich ten aanzien van de au pairs 1 t/m 7 op het standpunt gesteld dat zij niet, conform het uitwisselingsprogramma, schriftelijk hebben bevestigd dat zij de relevante regelgeving hebben gelezen en daarmee akkoord gaan.
5.1
Eiseres voert aan dat wel aan de zorgplicht is voldaan omdat het gastgezin en de vreemdeling bij de werving en selectie op de hoogte zijn gesteld van de relevante regelgeving. In alle dossiers bevinden zich bewustverklaringen waarin de au pairs en gastgezinnen bevestigen dat zij kennis hebben genomen van de relevante regelgeving. In de aanvullende gronden van 20 januari 2026 stelt eiseres verder dat zij zogenaamde ‘docusigned au pair agreements’ heeft teruggevonden, waarin de au pairs schriftelijk bevestigen de relevante materialen en programmaregel te hebben gelezen en daarmee akkoord gaan.
5.2
De rechtbank overweegt dat op pagina 10 van het uitwisselingsprogramma staat dat de au pair een informatiesheet ontvangt, waarop de wet- en regelgeving duidelijk staat uitgelegd. In het uitwisselingsprogramma staat ook dat eiseres de au pair vraagt om schriftelijk te bevestigen dat de au pair de informatiesheet heeft gelezen en daarmee akkoord gaat. Verweerder wijst er terecht op dat dit iets anders is dan de bewustverklaring waar eiseres naar verwijst. Die laatste is een beperktere verklaring, waarin niet alle relevante regelgeving is opgenomen. Ook met de overgelegde ‘docusigned au pair agreements’ heeft eiseres niet aan haar verplichting voldaan. In deze agreements bevestigen de au pairs de relevante materialen te hebben geregeld, maar daaruit volgt niet expliciet dat zij de relevante regelgeving hebben gelezen en daarmee akkoord gaan. Verweerder heeft dus een overtreding van artikel 1.16, eerste lid, van de Vb mogen constateren omdat eiseres in strijd met haar eigen uitwisselingsprogramma heeft gehandeld.
Zorgplicht – geen twee gesprekken voorafgaand aan plaatsing
6. Verweerder heeft geconstateerd dat volgens het uitwisselingsprogramma er minimaal twee gesprekken zouden worden gevoerd voordat de au pair wordt geplaatst, maar dat ten aanzien van au pairs 2, 3, 4 en 6 niet uit de dossiers blijkt dat deze gesprekken daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.
6.1
Eiseres voert aan dat er wel een tweede (video)gesprek heeft plaatsgevonden, maar dat dit in de dossiers niet is vastgelegd. Ook is het doel van de regeling, een zorgvuldige werving en selectie, wel bereikt.
6.2
De rechtbank is van oordeel dat eiseres op dit punt ten aanzien van de genoemde au pairs in strijd met haar eigen uitwisselingsprogramma heeft gehandeld. Eiseres heeft niet weten te onderbouwen dat er met de au pairs twee gesprekken hebben plaatsgevonden. Met de enkele stelling dat deze gesprekken wel zijn gevoerd, maar niet zijn vastgelegd, heeft eiseres dit niet aannemelijk gemaakt.
Zorgplicht - ongeschikt gastgezin, geen culturele uitwisseling
7. Verweerder heeft zich ten aanzien van au pairs 2 t/m 4 op het standpunt gesteld dat de culturele uitwisseling niet de centrale plek in het uitwisselingsprogramma heeft gekregen, die ze behoort te krijgen. Eiseres is onvoldoende nagegaan of deze drie gastgezinnen als ‘Nederlands gastgezin’ konden worden aangemerkt. De leden van het gastgezin waarbij deze drie au pairs verbleven hadden de Keniaanse nationaliteit. De au pairs 2 t/m 4 hebben ook de Keniaanse nationaliteit, waardoor kennismaking met de Nederlandse cultuur en samenleving niet centraal heeft gestaan.
7.1
Eiseres voert aan dat verweerder ten aanzien van au pairs 2 t/m 4 ten onrechte tegenwerpt dat geen sprake is van culturele uitwisseling. Het feit dat er culturele raakvlakken waren tussen het gastgezin en de au pairs betekent niet dat er geen culturele uitwisseling heeft plaatsgevonden. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar twee bijlagen (33 en 35) waaruit wel blijkt dat er culturele activiteiten zijn verricht.
7.2
In het uitwisselingsprogramma heeft eiseres de volgende passage opgenomen:
“Als Nanny Nina hebben we de visie jongedames en heren de mogelijkheid te geven naar Nederland te komen om de cultuur echt te leren kennen. Wij verstaan onder culturele uitwisseling dat een au pair echt onderdeel uitmaakt van een gezin en meedoet met de Nederlandse cultuur. De au pair zal inwonen bij een gezin, en daardoor, als vanzelf worden opgenomen in het reilen en zeilen van een Nederlands gezin.”
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiseres ten aanzien van deze au pairs niet aan bovenstaande passage uit het uitwisselingsprogramma heeft voldaan. Er is dus sprake van een schending van artikel 1.16, eerste lid, van het Vb. Het gastgezin waarbij de au pairs verbleven was van Keniaanse afkomst en verbleef pas kort, ongeveer 2 tot 2,5 jaar, in Nederland. Zoals verweerder stelt, roept dit sterk de vraag op of een au pair in dit gastgezin de Nederlandse cultuur kan leren kennen, zeker nu de au pairs ook zelf de Keniaanse nationaliteit hebben. Eiseres heeft aan deze omstandigheid geen aandacht besteed en niet onderbouwd hoe de culturele uitwisseling toch voldoende kon plaatsvinden. Dat de culturele uitwisseling zou hebben plaatsgevonden blijkt ook niet uit de opgestelde bijlagen. In de achteraf opgestelde bijlage 33 wordt gerefereerd aan activiteiten die au pairs 2 t/m 4 in Nederland zelf hebben verricht, maar dit houdt geen verband met het gastgezin waarin culturele uitwisseling zou moeten plaatsvinden. Dat geldt, zoals verweerder terecht stelt, ook voor bijlage 35. Dit is een compliance rapport dat ziet op au pair 4, waaruit evenmin blijkt dat er binnen het gastgezin culturele uitwisseling heeft plaatsgevonden.
Zorgplicht - tijdelijke plaatsing zonder cultureel doel
8. Verweerder heeft zich ook ten aanzien van au pair 5 op het standpunt gesteld dat het culturele karakter van het uitwisselingsprogramma tijdens het verblijf geen rol heeft gespeeld. Uit een WhatsApp-gesprek in het dossier blijkt dat de au pair als overbrugging in een gastgezin zal worden geplaatst, totdat een andere au pair arriveert. Het gastgezin geeft in de berichten aan ‘desperate’ te zijn en direct iemand nodig te hebben. Au pair 5, op haar beurt, had bij eiseres aangegeven geld nodig te hebben om haar visum te verlengen.
8.1
Eiseres voert aan dat de tijdelijke plaatsing van au pair 5 primair diende om haar lopende culturele uitwisselingsjaar voort te zetten. Het culturele doel bleef steeds leidend en is gerealiseerd.
8.2
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiseres ten aanzien van deze au pair niet aan bovenstaande passage van het uitwisselingsprogramma heeft voldaan. Er is dus sprake van een schending van artikel 1.16, eerste lid, van het Vb. Uit de onder 8 weergegeven informatie volgt dat er andere redenen waren waarom de au pair in dit gezin werd geplaatst. Eiseres heeft geen informatie overgelegd om te onderbouwen dat door plaatsing in dit gezin, het culturele karakter van het uitwisselingsprogramma toch gewaarborgd was.
Zorgplicht – onzorgvuldige middelentoets
9. Verweerder heeft zich ten aanzien van au pair 1 op het standpunt gesteld dat de selectie van het gastgezin niet op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De middelentoets is niet zorgvuldig geweest omdat er zich geen IB60-verklaring (nu: inkomensverklaring) in het dossier bevindt. Omdat de juiste bewijsmiddelen in het dossier ontbreken, is onvoldoende aangetoond dat het gastgezin over voldoende duurzame middelen van bestaan beschikt. Deze verplichting staat vermeld in artikel 1.5, onder b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV).
9.1
Eiseres voert aan dat uit de relevante bepalingen niet volgt dat uitsluitend een IB60-verklaring (nu inkomensverklaring) kan dienen ter verificatie van financiële draagkracht.
9.2
De rechtbank is van oordeel dat verweerder van eiseres heeft mogen verlangen dat er zich in het dossier van au pair 1 een IB60-verklaring bevond. Bij dit gastgezin was namelijk sprake van inkomen uit ondernemerschap. De genoemde inkomensverklaring is één van de bewijsmiddelen die een ondernemer ter onderbouwing van een verklaring inkomen ondernemer moet overleggen. Nu die verklaring ontbreekt, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat onvoldoende is gebleken dat eiseres heeft vastgesteld dat het gastgezin over voldoende duurzame middelen van bestaan beschikte. Verweerder heeft daarom een schending van de zorgplicht mogen aannemen.
Zorgplicht – niet op de hoogte aankomstdatum, geen veilige aankomst (au pair 1)
10. Verweerder heeft zich in het voornemen op het standpunt gesteld dat eiseres niet op de hoogte was van de aankomstdatum van au pair 1 in Nederland. Het feit dat eiseres niet op de hoogte was van de exacte aankomstdatum van au pair 1 is, zo stelt verweerder in het voornemen, al een schending van de zorgplicht als vermeld in artikel 1.5, onder f, van het VV. Eiseres heeft zich onvoldoende vergewist van het welzijn en welbevinden van de au pair. In het primaire besluit en het bestreden besluit heeft verweerder deze overtreding gehandhaafd.
10.1
In de beroepsgronden heeft eiseres aangevoerd dat zij zich wel voldoende heeft ingespannen om de reisplanning van au pair 1 te vernemen en zorg te dragen voor een veilige aankomst. Eiseres wijst op de bevestiging van vliegtickets van au pair 1, die twee dagen voor aankomst van au pair 1 in Nederland, aan eiseres is toegezonden.
10.2
Verweerder heeft in het verweerschrift van 23 december 2025 erkend dat eiseres wel op de hoogte was van de exacte aankomstdatum van au pair 1, maar ziet daarin geen aanleiding om deze overtreding te laten vallen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres zich, na aankomst van au pair 1, had moeten vergewissen van het welzijn en welbevinden van au pair 1. Uit het dossier blijkt volgens verweerder dat eiseres dit niet afdoende heeft gedaan.
10.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat eiseres de zorgplicht als vermeld in artikel 1.5, onder f, van het VV heeft geschonden. Verweerder heeft specifiek geconcludeerd dat eiseres deze zorgplicht schond omdat zij niet op de hoogte was van de exacte aankomstdatum van de au pair. Daar komt verweerder in het verweerschrift als gezegd op terug. Verweerder geeft daarin voor het eerst een andere motivering voor de conclusie dat eiseres artikel 1.5, onder f, van het VV geschonden heeft. Dit acht de rechtbank niet in lijn met artikel 5:9, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin staat dat de beschikking tot oplegging van een bestuurlijke sanctie de overtreding alsmede het overtreden voorschrift vermeldt. De overtreding waar verweerder eiseres voor beboet, volgt in dit geval niet uit het voornemen en latere besluiten, maar wordt voor het eerst in het verweerschrift weergegeven. Daarom heeft verweerder deze overtreding ten aanzien van au pair 1 ten onrechte geconstateerd.
Zorgplicht – niet op de hoogte aankomstdatum, geen veilige aankomst (au pair 3)
11. Verweerder heeft zich ten aanzien van au pair 3 op het standpunt gesteld dat sprake is van een schending van de zorgplicht als vermeld in artikel 1.5, onder f, van het VV. Verweerder stelt dat het feit dat eiseres kennelijk niet op de hoogte was van de aankomstdatum van au pair 3 en zich voor het overige ook niet van het welzijn en welbevinden van au pair 3 heeft vergewist een schending van deze zorgplicht inhoudt.
11.1
Eiseres voert aan dat zij zich voldoende heeft ingespannen om de reisplanning van au pair 3 te vernemen en zorg te dragen voor een veilige aankomst. Eiseres heeft WhatsApp-gesprekken overgelegd van het contact tussen haar en au pair 3.
11.2
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiseres zich onvoldoende heeft vergewist van het welzijn en welbevinden van au pair 3. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat uit de WhatsApp-gesprekken blijkt dat er kort na aankomst contact is geweest met au pair 3, maar dat dit vooral praktisch van aard is. Verweerder stelt terecht dat daarin niet is nagegaan hoe het daadwerkelijk met au pair 3 ging.
Administratieplicht - weekrooster incompleet of niet actueel
12. Verweerder heeft ten aanzien van au pairs 1 t/m 4 een overtreding van artikel 4.28, eerste lid, onder a, van het VV vastgesteld. Daarin staat dat de referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van uitwisseling, met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie de tussen de au pair en het gastgezin overeengekomen dagindeling opneemt. Eiseres heeft volgens verweerder ten aanzien van deze au pairs ten onrechte onvermeld gelaten wie als alternatief fungeert of fungeren voor de zorg voor de kinderen van het gastgezin.
12.1
De rechtbank volgt de stelling van eiseres in de beroepsgronden dat dit verwijt niet is gebaseerd op een duidelijk, vooraf kenbare norm. Uit de in artikel 4.28, eerste lid, onder a, van het VV neergelegde norm volgt dat verweerder moet vastleggen welke taken de au pair op welk moment vervult. Deze taken heeft eiseres in de dagindelingen van deze au pairs vastgelegd. Dat eiseres een verdergaande plicht zou hebben en ook zou moeten vastleggen wie er voor de kinderen zorgt op de momenten dat de au pair dat niet doet, volgt de rechtbank niet. Dit volgt immers niet uit de hiervoor weergegeven norm noch uit het beleid zoals neergelegd in de paragrafen B2/2.2 en B2/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Verweerder heeft dus ten aanzien van au pairs 1 t/m 4 ten onrechte een overtreding vastgesteld van artikel 4.28, eerste lid, onder a, van het VV.
Administratieplicht – informele incheckmomenten en evaluaties zijn niet goed vastgelegd
13. Verweerder heeft vastgesteld dat informele incheckmomenten, die maandelijks zouden plaatsvinden, ten aanzien van alle au pairs niet zijn opgenomen in de administratie van eiseres. Er is ook geen logboek aanwezig waaruit blijkt dat deze contactmomenten hebben plaatsgevonden. Van de evaluatiemomenten die na drie, zes en negen maanden zouden plaatsvinden zijn slechts gedeeltelijk evaluatieformulieren opgenomen:
-Au pair 1: in de administratie zijn slechts twee evaluatieformulieren opgenomen van 18 maart 2021 en 4 april 2021;
-Au pair 2: in de administratie is één evaluatieformulier opgenomen van 22 maart 2021. Au pair 2 verbleef toen nog geen drie maanden in Nederland;
-Au pair 3: in de administratie is alleen het negen maanden evaluatieformulier opgenomen;
-Au pair 4: in de administratie zijn geen evaluatieformulieren opgenomen;
-Au pair 5: in de administratie zijn geen evaluatieformulieren opgenomen;
-Au pair 6: de evaluatieformulieren zijn in de administratie opgenomen. Wel ontbreekt een overzicht voorzien van data en handelingen die eiseres heeft gepleegd om zich te vergewissen van het welzijn en welbevinden van de au pair. Dit is een overtreding van de administratieplicht zoals vermeld in artikel 4.28, tweede lid, onder d, van het Vv;
-Au Pair 7: in de administratie ontbreken de zes en negen maanden evaluatie.
13.1
Verweerder concludeert ten aanzien van alle au pairs dat eiseres de administratieplicht uit artikel 4.53 van het Vb en verder uitgewerkt in de artikelen 4.27 en 4.28 van het VV, heeft geschonden.
13.2
Eiseres voert aan dat geen sprake is van een overtreding van de administratieplicht, omdat uit de bewijsstukken blijkt dat begeleiding daadwerkelijk is geleverd en het ontbreken van formulieren alsnog administratief kon worden hersteld. Ten aanzien van au pair 6 wijst eiseres op WhatsApp-gesprekken tussen de au pair en eiseres.
13.3
De rechtbank is van oordeel dat eiseres haar administratieplicht, zoals weergegeven in artikel 4.28, tweede lid, onder b en d, van het VV heeft geschonden. Verweerder wijst er in het verweerschrift terecht op dat de administratieplicht een resultaatverplichting is, zodat door verweerder kan worden toegezien op naleving van de wet- en regelgeving door de referent. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat aan die resultaatverplichting niet is voldaan, nu er ten aanzien van alle zeven au pairs incheckmomenten ontbreken, en ten aanzien van zes van de zeven au pairs één of meer evaluatieformulieren ontbreken
Administratieplicht - geen vastlegging van bekommering om welzijn au pair
14. Verweerder stelt zich ten aanzien van au pairs 1, 2 en 4 t/m 7 op het standpunt dat eiseres geen overzicht heeft opgenomen voorzien van data en handelingen die eiseres heeft gepleegd om zich te vergewissen van het welzijn en welbevinden van de au pairs. Dit is een schending van artikel 4.28, tweede lid onder d, van het VV.
14.1
Eiseres voert aan dat uit de overgelegde emailcorrespondentie blijkt dat zij zich actief heeft bekommerd om het welzijn van de betrokken au pairs. Er is via WhatsApp en e-mail contact geweest.
14.2
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat sprake is van een schending van artikel 4.28, tweede lid, onder d, van het VV. Uit die bepaling volgt dat eiseres een administratie moet voeren van de inspanningen, voorzien van data en handelingen, die zij heeft gepleegd om zich te vergewissen van het welzijn en welbevinden van de au pair. Verweerder stelt terecht dat dit overzicht in de dossiers van au pairs 1, 2 en 4 t/m 7 ontbreekt en heeft daarom bij deze au pairs terecht een overtreding vastgesteld. Dat wel sprake zou zijn van communicatie tussen eiseres en de au pairs is niet relevant bij de vaststelling van deze overtreding.
Administratieplicht - niet vastgelegd wat ondernomen is na vraag over beëindiging contract
15. Verweerder heeft ten aanzien van au pair 4 een overtreding van artikel 4.28, eerste lid, onder c, van het VV vastgesteld. Daarin staat dat de referent met betrekking tot de nakoming van zijn verplichtingen als referent in de administratie een overzicht, voorzien van data en handelingen, moet opnemen waaruit blijkt op welke wijze de referent heeft opgetreden bij problemen, misstanden, misbruik of noodsituatie. Verweerder heeft dat bij au pair 4 niet gedaan. Uit het dossier blijkt dat de au pair op 16 april 2022 een WhatsAppbericht heeft gezonden aan eiseres waarin zij vraagt wat er zou gebeuren als zij eerder weg zou gaan en het contract zou beëindigen. In dat gesprek heeft zij ook aangegeven dat zij geestelijke problemen had en het gevoel had dat alles wat zij deed niet goed leek te zijn. Uit het dossier van au pair 4 blijkt niet dat eiseres is nagegaan waarom de au pair deze problemen heeft ervaren. Eiseres verklaart tijdens het controlebezoek dat zij de au pair telefonisch heeft gesproken en dat de au pair toen niet durfde te vertellen wat er aan de hand was. Dat laatste is niet vastgelegd in het dossier. Op 1 mei 2023 is de au pair zonder bericht uit het gastgezin vertrokken. In het gesprek met verweerder geeft eiseres aan dat zij ook daarna nog heeft gebeld en navraag heeft gedaan bij au pair 3, die in hetzelfde gastgezin verbleef, maar ook deze contacten zijn niet vastgelegd.
15.1
Eiseres voert aan dat hier geen sprake is geweest van een overtreding, nu het chatgesprek aantoont dat de au pair volledig en zorgvuldig is begeleid en dat de administratieplicht is nagekomen.
15.2
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat sprake is van een schending artikel 4.28, eerste lid, onder c, van het VV. Verweerder stelt terecht dat uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden duidelijk volgt dat sprake was van acute problematiek waarbij optreden vereist was. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat er in dit gastgezin al eerder problemen waren. In een dusdanige situatie heeft eiseres de plicht om een overzicht bij te houden van haar wijze van optreden. Omdat eiseres een groot deel van de contacten niet heeft vastgelegd, heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres artikel 4.28, eerste lid, onder c, van het VV heeft geschonden.
15.3
Eiseres heeft ten aanzien van het vertrek van au pair 4 ook nog aangevoerd dat zij haar zorgplicht heeft nageleefd. Zoals verweerder echter terecht in het verweerschrift heeft gesteld is er ten aanzien van het vertrek van au pair 4 geen overtreding van de zorgplicht, maar van de administratieplicht vastgesteld. De rechtbank volgt het betoog daarom niet.
Informatieplicht - niet tijdig informeren over vertrek au pair 7
16. De rechtbank stelt vast dat eiseres op de zitting van 11 februari 2026 heeft erkend dat zij ten aanzien van au pair 7 de informatieplicht heeft geschonden. Hetgeen eiseres hier in de schriftelijke beroepsgronden over heeft aangevoerd behoeft daarom geen bespreking meer. Verweerder heeft een overtreding van artikel 4.19, onder h en i, van het VV mogen vaststellen.
Herhaalde algemene beroepsgronden
17. De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiseres ten aanzien van verschillende overtredingen een aantal algemene stellingen meermalen heeft aangevoerd. Zo voert eiseres aan dat de normen onvoldoende helder zijn en er daarmee in strijd met het lex certa-beginsel wordt gehandeld. Die grond slaagt, behoudens het oordeel van de rechtbank onder 12.1, niet. Verweerder heeft in het voornemen tot boeteoplegging verder steeds voldoende duidelijk aangegeven waarin eiseres te kort is geschoten en gemotiveerd welke wettelijke bepaling eiseres daarmee heeft overtreden. De herhaalde stelling dat sprake zou zijn van een geringe overtreding en daarom geen boete voor de overtreding moet worden opgelegd, slaagt dan ook niet. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiseres daarmee de hoeveelheid aan geconstateerde overtredingen en de ernst daarvan tekortdoet. De verdere stellingen dat er geen klachten zijn ingediend en er verbetermaatregelen zijn genomen, doen ten slotte ook niet af aan de geconstateerde overtredingen.
17.1
De rechtbank stelt verder vast dat eiseres op 9 april 2026 nog nadere stukken heeft ingediend. Deze stukken laat de rechtbank buiten beschouwing. De stukken zijn namelijk na het opnieuw sluiten van het onderzoek ingediend en eiseres brengt hierin geen nieuwe relevante argumenten of onderbouwing daarvan naar voren.
Beoordeling boetebedrag
Boetevaststelling in besluitvorming
18. Verweerder stelt vast dat eiseres de zorgplicht in het algemeen op meerdere punten heeft geschonden (zie onder 4). Die overtreding merkt verweerder aan als ernstig. Verweerder stelt verder ten aanzien van alle au pairs afzonderlijk vast dat sprake is van meerdere overtredingen van de zorgplicht en de overtreding daarvan wordt aangemerkt als ernstig. Verweerder stelt ook ten aanzien van alle au pairs afzonderlijk vast dat sprake is van meerdere overtredingen van de administratieplicht, waarbij sprake is van gemiddelde ernst. Ten aanzien van au pair 7 heeft eiseres ook de informatieplicht geschonden waarbij sprake is van gemiddelde ernst.
18.1
Verweerder stelt acht overtredingen van de zorgplicht vast en legt hiervoor per overtreding, gelet op de ernst, de maximale bestuurlijke boete van € 3000,- op. Voor de overtreding van de administratieplicht bij au pair 1 tot en met 7 stelt verweerder zeven overtredingen vast en legt hij per au pair een bestuurlijke boete van € 1500,- op. Voor de overtreding van de informatieplicht, legt verweerder een boete van € 1500,- op.
18.2
Verweerder zou op grond van het voorgaande uitkomen op een bestuurlijke boete voor een bedrag van in totaal € 36.000,-. Omdat het voornemen te laat is uitgebracht, heeft verweerder de boete met 10 procent gematigd tot een bedrag van € 32.400,-
Heeft eiseres recht op een lagere boete/matiging vanwege ten onrechte geconstateerde overtredingen?
19. De rechtbank heeft in deze uitspraak ten aanzien van de meeste overtredingen geoordeeld dat verweerder deze terecht heeft geconstateerd. Bij de overtredingen van de zorgplicht heeft verweerder alleen ten aanzien van au pair 1 ten onrechte aangenomen dat eiseres de zorgplicht als vermeld in artikel 1.5, onder f, van het VV heeft overtreden. In het dossier van au pair 1 heeft verweerder echter nog meer overtredingen van de zorgplicht geconstateerd. Verweerder heeft voor deze overtredingen een boete van € 3000,- mogen opleggen. Bij de overtredingen van de administratieplicht heeft verweerder ten aanzien van au pairs 1 t/m 4 ten onrechte een overtreding van artikel 4.28, eerste lid onder a, VV vastgesteld. In de dossiers van deze au pairs heeft eiseres echter meerdere overtredingen van de administratieplicht vastgesteld. Daarom heeft verweerder voor ieder van deze au pairs een boete van € 1500,- voor overtreding van de administratieplicht mogen opleggen.
20. Gelet op de ten onrechte geconstateerde overtredingen is het beroep gegrond. De rechtbank ziet in de vijf door verweerder ten onrechte geconstateerde overtredingen ook aanleiding om het boetebedrag met 10%, dus met een bedrag van € 3240,- te matigen. Met deze matiging komt het boetebedrag uit op € 29.160,-.
Heeft eiseres recht op matiging vanwege overschrijding van de redelijke termijn?
21. De rechtbank beoordeelt in punitieve zaken ambtshalve of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden. [1] Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de rechtbank een zaak niet binnen een redelijke termijn behandelt, als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is begonnen uitspraak doet. [2] In deze termijn is de duur van een eventuele bezwaarfase inbegrepen. De termijn begint op het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat een bestuurlijke boete wordt opgelegd. [3]
21.1
In dit geval is de redelijke termijn begonnen met de voornemens tot boeteoplegging op 7 april 2023. Dit betekent dat de redelijke termijn in dit geval met meer dan een jaar is overschreden.
21.2
Volgens vaste rechtspraak wordt bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan zes maanden, maar minder dan twaalf maanden in punitieve zaken de boete in beginsel gematigd met 5% per half jaar met een maximum van € 2.500,-. In dit geval is de overschrijding dus langer dan twaalf maanden. Dat de overschrijding van twaalf maanden heeft plaatsgevonden, is echter voornamelijk het gevolg van de omstandigheid dat eiseres vlak voor de eerste zitting van 30 oktober 2025 zeer uitgebreide beroepsgronden heeft ingediend. Om verweerder daar goed op te kunnen laten reageren is de zaak aangehouden, heeft verweerder op 23 december 2025 een verweerschrift ingediend en is het beroep op 11 februari 2026 opnieuw op zitting behandeld. De rechtbank matigt de boete vanwege de overschrijding dus met een bedrag van € 2.500,-. Met deze verdere matiging komt het boetebedrag uit op €26.660,-.
Heeft eiseres recht op matiging vanwege een gebrek aan financiële draagkracht?
22. De rechtbank ziet in de financiële draagkracht van eiseres geen aanleiding om het boetebedrag nog verder te matigen. Daarbij geldt het advies van de financiële afdeling van de IND van 5 maart 2024 als uitgangspunt. In dat advies wordt geconcludeerd dat de solvabiliteitspositie van eiseres niet voldoende is, maar eiseres nog wel voldoende leenvermogen en liquiditeit heeft waardoor de betaling van de boete niet ernstig liquiditeits- of continuïteitsbedreigend is. Met de door eiseres bij haar gronden van 27 oktober 2025 overgelegde stukken heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is. De winst- en verliesrekening 2024 en 2025 en de prognoses, die worden genoemd in een advies van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van 27 juni 2025 ontbreken bij de financiële stukken. Op grond van de wel overgelegde gegevens waaruit een stijging van de netto-omzet en langlopende schulden blijkt, volgt niet dat eiseres de boete niet kan betalen.
22.1
De rechtbank heeft eiseres, na heropening van het onderzoek, opnieuw de kans geboden te onderbouwen dat haar financiële situatie matiging van het boetebedrag rechtvaardigt. Met de door haar op 25 februari 2026 overgelegde stukken heeft eiseres echter onvoldoende inzicht gegeven in haar financiële draakgracht. Eiseres heeft daarin wederom geen recente jaarrekeningen en recente aanslagen van vennootschapsbelasting van haar onderneming overgelegd. Omdat dergelijke gegevens ontbreken kan de rechtbank niet beoordelen of eiseres, gelet op haar financiële situatie, onevenredig door de boete wordt getroffen. De gevolgen hiervan komen voor rekening en risico van eiseres, aangezien zij de enige is die de benodigde financiële stukken en gegevens kan verschaffen. Verweerder stelt in zijn verweerschrift van 19 maart 2026 verder terecht, dat uit de wel overgelegde stukken niet volgt dat zij de boete niet kan betalen. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding om de opgelegde boete wegens de financiële situatie van eiseres verder te matigen.
Conclusie en gevolgen
23. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing door het besluit van 17 juni 2024 ten aanzien van de hoogte van de boete te herroepen en door de boete vast te stellen op € 26.660,-.
23.1
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- voor het beroepschrift dat is ingediend door de voormalig beroepsmatige rechtsbijstandsverlener van eiseres, mr. J. Luscuere.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 17 juni 2024;
- herroept het besluit van 17 juni 2024 ten aanzien van de hoogte van de boete;
- stelt de boete vast op € 26.660,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Battjes, voorzitter, mr. M. Kraefft en mr. M.A.J. van Beek, leden, in aanwezigheid van mr. J.P. Ankum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Coll:

Rechtsmiddel

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4761.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, en 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1165.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:108, 18 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3203, en 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:960.