ECLI:NL:CRVB:2022:149
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band ingezetenschap Nederland
Appellante, met de Georgische nationaliteit, keerde in januari 2019 met haar Nederlandse kinderen terug naar Nederland na langdurig verblijf in Georgië. Zij verbleef aanvankelijk bij een vriendin en later in crisisopvang, en ontving vanaf mei 2019 een bijstandsuitkering. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende kinderbijslag toe vanaf het vierde kwartaal van 2019, omdat appellante toen als ingezetene van Nederland werd aangemerkt.
De rechtbank en de Raad oordeelden dat appellante in het tweede en derde kwartaal van 2019 nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had, mede vanwege het ontbreken van een duurzaam tot haar beschikking staande woonruimte en de korte verblijfsduur. Het feit dat zij loonbelasting betaalde en een zorgverzekering had, was onvoldoende om ingezetenschap aan te nemen.
Appellante voerde aan dat haar kinderen als Unieburgers recht hebben op volledige toegang tot voorzieningen en dat de weigering van kinderbijslag hun fundamentele rechten schendt. De Raad verwierp dit en stelde dat kinderbijslag geen basisvoorziening of laatste financieel vangnet is en dat noodvoorzieningen beschikbaar waren.
Het beroep op artikel 20 van Pro het VWEU en het Handvest werd eveneens verworpen, omdat de weigering van kinderbijslag niet leidt tot onmogelijkheid van verblijf of schending van grondrechten. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen; appellante was in het tweede en derde kwartaal van 2019 geen ingezetene van Nederland en had geen recht op kinderbijslag.