ECLI:NL:CBB:2023:502
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 voor startende onderneming
De onderneming, gestart op 1 augustus 2020, verzocht subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor Q2 2021, Q4 2021 en Q1 2022. De minister stelde de subsidie voor Q2 2021 vast, maar wees de aanvragen voor Q4 2021 en Q1 2022 af wegens onvoldoende omzetverlies.
De onderneming voerde aan dat de omzet in de referentieperiode (Q3 2020) niet representatief was omdat zij pas vanaf 1 augustus 2020 omzet genereerde en seizoensinvloeden niet waren meegenomen. Zij stelde dat extrapolatie van omzet en correcties noodzakelijk waren en dat de regeling voor startende ondernemingen onevenredig nadelig uitpakte.
Het College oordeelde dat de minister terecht vasthield aan de vaste referentieperiode en dat de regeling geen ruimte biedt voor afwijkingen of extrapolaties. De omstandigheden van de onderneming waren niet zodanig uitzonderlijk dat een uitzondering op de regeling gerechtvaardigd was. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel slaagde niet.
Het College bevestigde dat de regeling generiek is en dat de minister beleidsruimte heeft bij de uitvoering. De beroepen werden ongegrond verklaard en de ministeriële besluiten gehandhaafd.
Uitkomst: De beroepen van de onderneming tegen de afwijzing van de TVL-subsidies zijn ongegrond verklaard en de ministeriële besluiten worden gehandhaafd.