In deze zaak heeft [naam 1] B.V., een betaalinstelling met vergunning van DNB, hoger beroep ingesteld tegen boetes opgelegd door DNB wegens overtredingen van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), de Sanctiewet 1977 (Sw) en de SIRA-verplichting. De boetes betroffen een totaalbedrag van ruim 1,4 miljoen euro, waarvan de rechtbank Rotterdam de hoogte had gematigd.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft het hoger beroep van [naam 1] B.V. ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het College oordeelde dat de overtredingen terecht waren vastgesteld en dat de boetes passend en geboden zijn. Het betoog dat [naam 1] aan de SIRA-verplichting had voldaan, werd verworpen omdat de aangeleverde documenten geen systematische en continue analyse van integriteitsrisico’s aantonen.
Verder verwierp het College het beroep op het vertrouwensbeginsel en het nemo tenetur-beginsel. Ook de argumenten over de geringe rol van [naam 1] in het betalingsverkeer en de samenloop van boetes werden niet gevolgd. De matigingen van de boetes wegens overschrijding van de redelijke termijn en het uit eigen beweging toezenden van het EY-rapport werden als voldoende beschouwd.
De uitspraak bevestigt dat betaalinstellingen een eigen verantwoordelijkheid dragen voor naleving van integriteitsverplichtingen en dat toezichthouders zoals DNB bevoegd zijn om boetes op te leggen bij ernstige en structurele tekortkomingen.