In deze zaak heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 27 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep van [naam 1] B.V. tegen De Nederlandsche Bank N.V. (DNB). De zaak betreft de oplegging van boetes door DNB voor overtredingen van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Sanctiewet 1977 (Sw). Het College bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam, waarin de rechtbank de boetes had vernietigd voor zover het de hoogte betreft, maar de overtredingen zelf had erkend. Het College oordeelt dat DNB terecht heeft vastgesteld dat [naam 1] de Wwft- en Sw-overtredingen heeft begaan en dat de opgelegde boetes gerechtvaardigd zijn. Het College wijst erop dat [naam 1] niet heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Wwft, waaronder het uitvoeren van cliëntenonderzoek en het screenen van Politically Exposed Persons (PEP). De rechtbank had eerder de boetes gematigd, maar het College ziet geen aanleiding voor verdere matiging. De uitspraak van het College bevestigt de noodzaak voor financiële instellingen om zich aan de wetgeving te houden en benadrukt de verantwoordelijkheid van [naam 1] om te voldoen aan de integriteitsnormen.