ECLI:NL:CRVB:2001:AB0469
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.C. van Sloten
- P.G.M. Zwartkruis
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schriftelijke waarschuwing voor schending inlichtingenplicht WW
Gedaagde was van januari tot augustus 1997 werkzaam en werd daarna werkloos. Hij vroeg een WW-uitkering aan waarbij hij ontkende een andere WW-uitkering te ontvangen, terwijl uit controle bleek dat hij sinds 1995 al een gedeeltelijke WW-uitkering ontving. Appellant legde daarom een boete op wegens het schenden van de mededelingsplicht. De rechtbank vernietigde deze boete omdat bepaalde bepalingen van het Boetebesluit strijdig waren met hogere wetgeving.
In hoger beroep stelde appellant dat de bepalingen wel verenigbaar zijn met de WW en de Wet Boeten. De Raad oordeelde dat gedaagde inderdaad de inlichtingenplicht had geschonden, maar dat sinds de wetswijziging van 31 december 1998 een schriftelijke waarschuwing kan worden gegeven in plaats van een boete als de overtreding niet heeft geleid tot onterechte uitkering.
De Raad bevestigde dat het opleggen van een boete een 'criminal charge' is in de zin van het EVRM en het IVBPR, en dat de lichtere straf van een schriftelijke waarschuwing ook op bestuursrechtelijke boetes van toepassing is. Daarom werd de boete vervangen door een schriftelijke waarschuwing en werd appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: Gedaagde krijgt een schriftelijke waarschuwing in plaats van een boete voor het niet nakomen van de inlichtingenplicht onder de WW.