ECLI:NL:CRVB:2005:AT4754
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Nieuwe interpretatie begrip eigen kind in Algemene Kinderbijslagwet bij buitenlandse familierechtelijke betrekkingen
Appellant, van Ghanese afkomst en sinds 1996 Nederlander, ontving kinderbijslag voor vier kinderen geboren in Ghana uit twee verschillende moeders zonder wettig huwelijk. De Sociale verzekeringsbank beëindigde de kinderbijslag omdat de kinderen niet erkend waren volgens Nederlands recht, ondanks een naamgevingsprocedure naar Ghanees recht die het vaderschap vaststelde.
De rechtbank verwierp het beroep van appellant, stellende dat de Ghanees naamgevingsprocedure niet gelijkgesteld kon worden met erkenning naar Nederlands recht en dat het onderscheid gerechtvaardigd was om misbruik te voorkomen. Appellant stelde in hoger beroep dat dit onderscheid in strijd was met het EVRM, met name artikel 14 en Pro het Eerste Protocol.
De Raad overwoog dat volgens internationaal privaatrecht de familierechtelijke betrekking volgens Ghanees recht erkend moet worden binnen de Nederlandse rechtsorde. Jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vereist dat kinderen met een familierechtelijke vaderschapsrelatie gelijk behandeld worden, tenzij zeer gewichtige redenen aanwezig zijn.
De Raad concludeerde dat het onderscheid van de Sociale verzekeringsbank niet gerechtvaardigd is door de doelstellingen van de kinderbijslagwetgeving en dat kinderen die in een erkende familierechtelijke relatie staan en door de verzekerde worden onderhouden als eigen kinderen moeten worden beschouwd. Het bestreden besluit werd vernietigd en de zaak werd terugverwezen voor een nieuw besluit.
De Raad veroordeelde de Sociale verzekeringsbank tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van kinderbijslag werd vernietigd en de kinderen werden als eigen kinderen in de zin van de AKW erkend.