ECLI:NL:CRVB:2006:AX8683
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtspositie KNIL-militairen als militaire ambtenaren onder de Militaire Ambtenarenwet
Appellanten, afstammelingen van KNIL-militairen, vorderden sociale voorzieningen op grond van de Militaire Ambtenarenwet (MAW). De rechtbank ’s-Gravenhage verklaarde zich onbevoegd omdat de vaders en grootvaders van appellanten niet als militaire ambtenaren in Nederlandse openbare dienst waren aangemerkt.
In hoger beroep betoogden appellanten dat het ontslag van Ambonese KNIL-militairen onvoltooid was vanwege het tijdelijke karakter van hun mobilisatie naar Nederland, waardoor zij hun militaire status zouden behouden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het ontslag per 25 juli 1950 definitief was en dat appellanten geen militaire ambtenaren waren in de zin van de MAW.
De Raad bevestigde dat appellanten geen toegang hadden tot de rechtbank ’s-Gravenhage op grond van artikel 4 MAW Pro en dat de aangevallen uitspraken terecht waren. Proceskostenvergoeding werd niet toegewezen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 8 juni 2006.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten geen militaire ambtenaren zijn in de zin van de MAW en verklaart zich onbevoegd.