ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2528
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht
Appellante ontving sinds 1988 bijstand als alleenstaande. In 2003 kwam het College via de Belastingdienst te weten dat zij samen met haar ex-echtgenoot een gemeenschappelijke bankrekening in Luxemburg had met een hoog saldo in 1994. Daarnaast werd bij een politie-inval in 2004 bijna €32.000 aan contant geld bij appellante aangetroffen.
Het College besloot daarop de bijstand over de periode 1997-2004 in te trekken en terug te vorderen, en de bijstand vanaf april 2004 te beëindigen. Appellante weigerde medewerking aan het onderzoek naar haar buitenlandse bankrekening en verstrekte geen eenduidige informatie over haar vermogen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
De Raad oordeelt dat appellante mede beschikking had over het buitenlandse vermogen en dat zij haar ontkenning niet met bewijs kon onderbouwen. De Raad acht het College bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen op grond van de WWB en de aanvraag buiten behandeling te stellen wegens onvoldoende gegevens. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van de bijstand worden bevestigd.