ECLI:NL:CRVB:2007:BA2618
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestreden besluit terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding niet correct bekendgemaakt
Appellant betwistte dat hij met De V. een gezamenlijke huishouding voerde, hetgeen leidde tot een terugvordering van bijstandskosten door het College van B&W van ’s-Hertogenbosch. Het College had het besluit tot terugvordering gericht aan het adres van De V. gestuurd, waar zij meende dat appellant woonde. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.
De Raad oordeelt dat het College het besluit niet op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt, omdat appellant volgens de GBA op een ander adres stond ingeschreven. Daarnaast is onvoldoende bewijs geleverd dat appellant en De V. in de periode van 1 juli 2002 tot 1 juni 2003 een gezamenlijke huishouding voerden. Voor de periode van 1 juni 2003 tot 30 november 2004 is wel sprake van gezamenlijke huishouding, waardoor terugvordering over die periode gerechtvaardigd is.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 24 mei 2005 en beveelt het College een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van 24 mei 2005 vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.