ECLI:NL:CRVB:2008:BF8063
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Hersteldverklaring verzekeringsarts is feitelijke mededeling, niet besluit
Betrokkene, werkzaam als kledingsorteerster, meldde zich medio juni 2005 wegens psychische klachten ziek. Op 28 april 2006 verklaarde een verzekeringsarts haar hersteld met ingang van 1 mei 2006. De verzekeringsarts stuurde een brief waarin werd meegedeeld dat betrokkene niet langer ongeschikt was voor arbeid en dat het ziekengeld werd beëindigd. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze beslissingen, waarbij zij stelde door ernstige psychische klachten niet in staat te zijn haar belangen te behartigen.
De rechtbank oordeelde dat de brief van 28 april 2006 slechts informatief was en geen besluit vormde, terwijl de brief van 23 mei 2006 wel een besluit was. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de brief van 28 april niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, maar oordeelde dat het bezwaar tegen het besluit van 23 mei gegrond was en vernietigde dat besluit.
De Raad overwoog dat de brief van 28 april 2006 wel degelijk een besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, omdat deze rechtsgevolgen heeft, namelijk de intrekking van het ziekengeld. De brief van 23 mei 2006 was geen nieuw besluit, maar een mededeling van het reeds genomen besluit. Betrokkene had het bezwaar tegen het besluit van 28 april niet tijdig ingediend en de psychische klachten boden geen grond voor verontschuldiging van de termijnoverschrijding.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het bezwaar tegen de brief van 23 mei 2006 ontvankelijk was verklaard en ongegrond was verklaard, en verklaarde het bezwaar tegen deze brief niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelde de Raad het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot betaling van proceskosten aan betrokkene.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de brief van 23 mei 2006 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding van het bezwaar tegen het besluit van 28 april 2006.