ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4668
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en terugvordering bijstand wegens ontvangen studiefinanciering en schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving bijstand van het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam, die later werd ingetrokken en teruggevorderd omdat appellant studiefinanciering ontving en dit niet tijdig had gemeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar baseerde haar oordeel op een andere grond dan het College had aangevoerd. De Raad vernietigde deze uitspraak en beoordeelde het besluit zelf.
De Raad stelde vast dat appellant in de periode mei tot en met juni 2007 studiefinanciering ontving die hoger was dan de bijstandsnorm, waardoor hij geen recht had op bijstand. Appellant had dit niet tijdig gemeld, waarmee hij de inlichtingenverplichting schond. Het College was daarom bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen.
Appellant voerde aan dat zijn schizofrene klachten en de achteraf als schuld geboekte studiefinanciering dringende redenen vormden om terugvordering te vermijden. De Raad oordeelde dat appellant wel in staat was zich te laten bijstaan en dat deze omstandigheden geen dringende redenen of bijzondere omstandigheden vormden om van het terugvorderingsbeleid af te wijken.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde het College in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard.