ECLI:NL:CRVB:2009:BH3934
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.G.M. Simons
- R.M. van Male
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering terug te komen van onaantastbaar boetebesluit door UWV
In deze bestuursrechtelijke zaak stond centraal de vraag of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) bevoegd en gehouden was om terug te komen van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden boetebesluit uit 2001. De Raad oordeelde dat het UWV in beginsel bevoegd was om te weigeren terug te komen, aangezien het verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden bevatte zoals vereist volgens artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Echter, de Raad stelde ook vast dat het UWV na ontvangst van de uitspraak van de Raad van 6 november 2001 onverwijld adequate maatregelen had moeten nemen om verdere onrechtmatige boetebesluiten te voorkomen. Het UWV had nagelaten tijdig de uitvoeringsinstellingen te informeren en onrechtmatige boetes in te trekken, waardoor onrechtmatige besluiten werden genomen. De keuze van het UWV om slechts besluiten binnen een beperkte periode ambtshalve in te trekken werd als willekeurig beoordeeld.
De Raad concludeerde dat het UWV in redelijkheid niet mocht weigeren terug te komen van het boetebesluit van 11 december 2001 en dat het beroep op rechtszekerheid niet opging. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Breda, waarin het bestreden besluit werd vernietigd en het UWV werd opgedragen opnieuw te beslissen, werd bevestigd. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten en werd bepaald dat het UWV griffierecht moest betalen.
Uitkomst: Het UWV mocht niet weigeren terug te komen van het onaantastbare boetebesluit van 11 december 2001 en werd veroordeeld tot proceskostenvergoeding.