ECLI:NL:CRVB:2009:BI0338
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidskundige grondslag
Appellante, met rug-, nek- en schouderklachten en later psychische klachten, kreeg een WAO-uitkering die in 2004 werd herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Het UWV handhaafde dit besluit in 2005 en stelde een nieuwe Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) vast. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts niet onzorgvuldig was, ook al vond deze geen eigen onderzoek noodzakelijk. Appellante leverde geen tegenbewijs. Echter, de Raad constateert dat de arbeidskundige onderbouwing van het besluit onvoldoende gemotiveerd is, omdat bepaalde functies en beperkingen niet nader zijn toegelicht en het UWV niet heeft gereageerd op vragen van de Raad.
Verder betwist appellante de fictie dat zij de Nederlandse taal mondeling beheerst, wat volgens haar haar geschiktheid voor functies zoals productiemedewerker beperkt. De Raad oordeelt dat deze eis redelijk is en dat het UWV terecht rekening houdt met de beheersing van de Nederlandse taal. De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de arbeidskundige grondslag.