ECLI:NL:CRVB:2009:BK8941
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkeringen wegens werkzaamheden in Duitsland
Appellanten, voormalige werknemers van een metsel- en voegbedrijf, hebben WW-uitkeringen ontvangen nadat zij waren ontslagen. Tijdens hun dienstverband werkten zij echter op bouwprojecten in Duitsland. Het UWV startte een onderzoek en concludeerde dat appellanten onterecht WW-uitkeringen ontvingen over de periode dat zij in Duitsland werkten.
De rechtbank heeft de intrekking van de WW-uitkeringen en de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen bevestigd, evenals de oplegging van boetes wegens schending van de mededelingsverplichting. Appellanten gingen in beroep tegen deze besluiten. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en de eerdere uitspraken bevestigd.
De Raad oordeelde dat het bewijs, waaronder verklaringen van een ploegbaas en registratie bij Duitse instanties, voldoende was om vast te stellen dat appellanten niet werkloos waren in de betwiste periode. Ook de intrekking van de uitkering en de terugvordering zijn volgens de Raad terecht. De boetes zijn eveneens gegrond en proportioneel, met uitzondering van een vermindering van een boete voor één appellant. De Raad zag geen aanleiding voor heropening van het onderzoek of het oproepen van getuigen.
Uitkomst: De intrekking van WW-uitkeringen, terugvordering van onverschuldigde betalingen en oplegging van boetes aan appellanten worden bevestigd.