ECLI:NL:CRVB:2010:BN5121
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige indicatiebesluiten AWBZ en toekenning immateriële schadevergoeding
Appellante, met diverse lichamelijke beperkingen en drie jonge kinderen, was geïndiceerd voor functies huishoudelijke verzorging (HV), persoonlijke verzorging (PV), verpleging (VP) en ondersteunende begeleiding (OB) op grond van de AWBZ. Zij verzocht om uitbreiding en herindicatie van deze functies. Het CIZ stelde indicaties vast waarbij normtijden werden gemidddeld, gebruikelijke zorg van de partner werd aangenomen en een voorliggende voorziening werd verondersteld.
De Raad constateerde dat het CIZ ten onrechte normtijden middelde, onterecht uitging van gebruikelijke zorg van de partner zonder concrete beoordeling en onvolledig onderzoek deed naar de beschikbaarheid en betaalbaarheid van voorliggende voorzieningen zoals kinderopvang. Hierdoor waren de indicaties voor HV en OB te laag vastgesteld. De Raad stelde hogere indicatieklassen vast dan door appellante aangevraagd.
Verder oordeelde de Raad dat de besluiten onrechtmatig waren en dat CIZ aansprakelijk is voor de schade. Appellante kreeg een immateriële schadevergoeding van € 5.000 toegekend wegens spanning en frustratie door de langdurige en complexe besluitvorming. Materiële schade werd afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing. De zaak werd heropend voor nader medisch onderzoek naar geestelijk letsel. Tevens werd CIZ veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Raad wijst hogere indicatieklassen toe, kent immateriële schadevergoeding toe en vernietigt onrechtmatige besluiten van het CIZ.