ECLI:NL:CRVB:2007:BB6205
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- K. Zeilemaker
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding zonder zorgbehoefte broer
Betrokkene ontving sinds 1983 bijstand als alleenstaande, maar voerde een gezamenlijke huishouding met haar broer. De gemeente stelde een heronderzoek in naar de zorgbehoefte van de broer, waarbij het CIZ concludeerde dat er geen zodanige zorgbehoefte was die opname in een AWBZ-instelling noodzakelijk maakte.
Op basis hiervan beëindigde de gemeente de bijstand per 9 juli 2005. Na bezwaar en aanvullend advies handhaafde de gemeente dit besluit, met een afbouwperiode tot 1 januari 2006. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders.
De Raad stelde vast dat de gemeente het begrip zorgbehoefte juist had geïnterpreteerd en dat het CIZ-advies deugdelijk was. De medische gegevens en betrokkene's stellingen konden niet aantonen dat de broer intensieve zorg of permanent toezicht nodig had. Daardoor moest betrokkene als gehuwd worden aangemerkt en had zij geen recht op bijstand als alleenstaande.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en vernietigde het nieuwe besluit van 10 juli 2007. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstandsuitkering is terecht beëindigd omdat de broer van betrokkene geen zorgbehoefte heeft en zij als gehuwd moet worden aangemerkt.