ECLI:NL:CRVB:2011:BU7126
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijdrage-inhouding pensioenverdragsgerechtigde onder Zorgverzekeringswet en EU-recht
Appellant, wonende in Malta en pensioengerechtigde, betwistte de inhouding van een bijdrage op zijn Nederlandse pensioen door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Hij voerde aan dat hij niet onder de werkingssfeer van de relevante EU-verordeningen viel, dat hij een keuzerecht had om zich niet aan de regeling te onderwerpen, en dat de inhouding in strijd was met het vrije verkeer van EU-burgers.
De Raad verwees prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU, dat bevestigde dat de bepalingen van Verordening 1408/71 dwingend zijn en dat het niet inschrijven bij het bevoegde orgaan van het woonland geen ontsnappingsmogelijkheid biedt voor de bijdrageplicht. Het Hof oordeelde tevens dat de inhouding van de bijdrage niet in strijd is met artikel 21 VWEU Pro, mits er geen ongerechtvaardigd verschil in behandeling bestaat.
De Raad onderzocht of het overgangsrecht en de afspraken tussen de Nederlandse regering en verzekeraars tot ongerechtvaardigde verschillen tussen ingezetenen en niet-ingezetenen leidden. Hoewel in sommige gevallen verzekeraars mogelijk niet de acceptatieplicht voor niet-ingezetenen hebben nageleefd, is geen aantoonbaar ongerechtvaardigd onderscheid door de regering vastgesteld. Het verzoek om vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het verzoek af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtmatigheid van de bijdrage-inhouding op het pensioen van appellant en wijst zijn beroep en verzoek om schadevergoeding af.