ECLI:NL:CRVB:2012:BX8333
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning provisie over opzegtermijn na faillissement werkgever
Appellant was sinds 2002 in dienst als verkoper bij zijn werkgever die in januari 2009 failliet werd verklaard. Na het faillissement werd zijn arbeidsovereenkomst opgezegd en vroeg appellant een WW-uitkering aan, waarbij provisie over de omzet een wezenlijk loonbestanddeel vormde.
Het UWV kende provisie toe over de periode tot het faillissement, maar weigerde provisie over de opzegtermijn toe te kennen omdat appellant in die periode niet had gewerkt. De rechtbank verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond maar handhaafde het standpunt dat niet-opgebouwde provisie niet voor overneming in aanmerking komt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat op grond van artikel 7:628 BW Pro het loon, inclusief provisie, behouden blijft indien de werknemer niet kan werken door een oorzaak die voor rekening van de werkgever komt, zoals faillissement. Daarom kent de Raad appellant provisie toe over de opzegtermijn, vernietigt het eerdere besluit en veroordeelt het UWV tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.
De Raad bepaalt het toe te kennen provisiebedrag op € 3.532,- bruto en stelt dat dit oordeel in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Hiermee wordt de aanspraak van appellant op provisie tijdens de opzegtermijn erkend en financieel gehonoreerd.
Uitkomst: Appellant wordt provisie over de opzegtermijn toegekend en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.