ECLI:NL:CRVB:2012:BY4656
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening ouderdomspensioen naar gehuwdenpensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving aanvankelijk een ongekorte nabestaandenuitkering en later een ouderdomspensioen voor ongehuwden. Na onderzoek door de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd haar uitkering in 2005 verlaagd vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met M, die sinds 1988 bij haar inwonend is. In 2010 en 2011 herzag de Svb het ouderdomspensioen van appellante naar het gehuwdenpensioen, omdat zij met M een gezamenlijke huishouding zou voeren.
Appellante voerde aan dat er geen sprake was van wederzijdse zorg, maar van een eenzijdige zorgrelatie waarbij M haar verzorgde en zij slechts beperkte diensten aan M verleende. Ook stelde zij dat er sprake was van een commerciële huurrelatie. De Raad oordeelde echter dat de criteria voor gezamenlijke huishouding, zoals het delen van het hoofdverblijf en wederzijdse zorg, objectief moeten worden beoordeeld en dat de feiten wezen op een gezamenlijke huishouding.
De Raad concludeerde dat ondanks de intensievere zorg van M voor appellante, sprake was van wederzijdse zorg en dat de stelling van een zakelijke huurrelatie onvoldoende was onderbouwd. De herziening van het pensioen per 1 januari 2012 was gerechtvaardigd en appellante werd niet onrechtvaardig behandeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ouderdomspensioen wordt herzien naar het gehuwdenpensioen wegens gezamenlijke huishouding.