Uitspraak
OVERWEGINGEN
€ 4.565,74.
Centrale Raad van Beroep
Appellant had een AOW-pensioen voor alleenstaande aangevraagd en toegekend gekregen vanaf maart 2008, met de stelling dat hij sinds mei 2007 duurzaam gescheiden leefde van zijn partner. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) startte een onderzoek toen bleek dat appellant en zijn partner nog steeds als fiscale partners werden aangemerkt en op verschillende adressen stonden ingeschreven. Uit het onderzoek, inclusief huisbezoeken en het inwinnen van informatie bij instanties, bleek dat appellant en zijn partner zich naar buiten toe als gehuwden presenteerden.
Op basis van deze bevindingen besloot de Svb het AOW-pensioen te herzien naar een gehuwdenpensioen vanaf juli 2009 en het teveel betaalde bedrag terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond. Appellant voerde aan dat hij sinds 2007 duurzaam gescheiden leefde en dat er geen verschil was tussen de situatie in 2008 en 2011.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat duurzaam gescheiden leven inhoudt dat er sprake moet zijn van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, waarbij ieder een eigen leven leidt. De feiten toonden aan dat dit niet het geval was in de periode vanaf juli 2009. Pas vanaf juli 2011 was er sprake van duurzaam gescheiden leven, waarna het pensioen weer werd aangepast. De Raad bevestigde daarom het bestreden vonnis en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en de herziening van het AOW-pensioen wordt bevestigd wegens het ontbreken van duurzaam gescheiden leven vanaf juli 2009.