Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 maart 2013, zoals gecorrigeerd op 24 april 2013, ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Na een anonieme tip startte de gemeente een onderzoek, waarbij bleek dat appellant mogelijk niet op het uitkeringsadres woonde. Op basis van verklaringen, huisbezoek en administratief onderzoek trok het college de bijstand in en vorderde het betaalde bedrag terug.
De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en beperkte de intrekking tot de periode na 8 juni 2010, omdat appellant toen naar het uitkeringsadres verhuisde. In hoger beroep betwistte appellant de periode van 9 juni tot 30 november 2010. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in die periode op het uitkeringsadres verbleef. Zijn verklaring tijdens het huisbezoek dat hij nooit in de woning verbleef, werd als betrouwbaar beschouwd.
De Raad stelde vast dat appellant zijn wettelijke inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat hij niet woonde op het uitkeringsadres. Dit rechtvaardigde de intrekking en terugvordering van bijstand over de betreffende periode. Het beroep tegen het nieuwe besluit van het college werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 9 juni 2010 tot en met 30 november 2010 wordt bevestigd en het beroep tegen het nieuwe besluit van het college ongegrond verklaard.