Appellant exploiteerde een tentenverhuurbedrijf als eenmanszaak en ontving een renteloze lening op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz 2004). Het college stelde het netto inkomen over 2010 vast op €19.115,17, hoger dan de jaarnorm, en vorderde daarom €3.494,71 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het college ten onrechte het netto inkomen over het hele kalenderjaar 2010 had betrokken in plaats van de bijstandperiode van 30 oktober 2009 tot 30 oktober 2010. De Raad oordeelde dat het netto inkomen volgens het Bbz 2004 op basis van het boekjaar moet worden vastgesteld, wat in dit geval gelijk is aan het kalenderjaar.
Verder wees appellant correcties op de jaarnorm af en stelde dat het bedrijfsverlies gesaldeerd moest worden met looninkomsten, wat de Raad eveneens verwierp op grond van eerdere jurisprudentie. Wel erkende het college dat de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw van €513 niet was afgetrokken, waardoor het netto looninkomen en het totale netto inkomen lager moesten worden vastgesteld. Dit leidde tot een lagere terugvordering van €2.981,71.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, stelde het inkomen en de terugvordering bij, wees het verzoek tot schadevergoeding af en veroordeelde het college in de proceskosten van appellant.