ECLI:NL:CRVB:2024:598
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en weigering Tozo-bijstand wegens privéverhuurinkomsten
Appellanten, zelfstandig ondernemers, ontvingen aanvankelijk Tozo-bijstand. Het college ontdekte dat zij naast hun onderneming ook inkomsten hadden uit de verhuur van privéwoningen. Het college trok de bijstand in en weigerde een nieuwe aanvraag omdat het totale inkomen boven de bijstandsnorm lag. Appellanten stelden dat het negatieve bedrijfsresultaat verrekend moest worden met de huurinkomsten en dat hypotheeklasten in mindering moesten worden gebracht.
De Raad oordeelde dat het recht op Tozo-bijstand per maand wordt vastgesteld en dat het inkomen uit privéverhuur als zodanig meetelt. Negatieve bedrijfsresultaten mogen niet worden gesaldeerd met positieve privé-inkomsten, omdat bijstand alleen wordt verleend als er onvoldoende middelen zijn om in het bestaan te voorzien. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat een zelfstandige niet vergelijkbaar is met een dga.
Ook is er geen ruimte om hypotheekrente als kosten in mindering te brengen op de huurinkomsten. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Appellanten kregen geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De intrekking, terugvordering en weigering van Tozo-bijstand worden bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.