ECLI:NL:CRVB:2024:597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering Tozo-bijstand wegens verhuurinkomsten boven norm
Deze zaak betreft het hoger beroep tegen de intrekking en terugvordering van algemene bijstand op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) over de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 maart 2021.
Appellanten, zelfstandig ondernemers, ontvingen huurinkomsten uit privé-eigendommen en maakten overboekingen van een zakelijke naar een privérekening. Het college stelde dat deze inkomsten meetellen als inkomen en dat het totale maandelijkse inkomen hoger was dan de bijstandsnorm, waardoor het recht op bijstand terecht werd ingetrokken en teruggevorderd.
Appellanten voerden aan dat het inkomen over de gehele Tozo-periode moest worden beoordeeld, dat negatieve bedrijfsresultaten gesaldeerd moesten worden met de huurinkomsten, dat rentelasten van hypotheken in mindering moesten worden gebracht en dat de overboekingen niet als inkomen mochten worden gezien. De Raad oordeelde dat het recht op bijstand op basis van het maandelijks inkomen wordt vastgesteld, dat negatieve bedrijfsresultaten niet met huurinkomsten verrekend mogen worden, dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden en dat hypotheekkosten niet in mindering kunnen worden gebracht.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Gelderland en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De intrekking en terugvordering van de bijstand blijven daarmee in stand en appellanten krijgen geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Hoger beroep tegen intrekking en terugvordering Tozo-bijstand wordt ongegrond verklaard en eerdere uitspraak bevestigd.