ECLI:NL:CRVB:2014:1947
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde arbeid in familierestaurant
Betrokkene ontving bijstand sinds 2011, die vanaf 2012 werd omgezet in bijstand op grond van de WWB. Hij woonde boven het restaurant van zijn vader en verrichtte daar werkzaamheden zonder dit te melden. De gemeente stelde een onderzoek in en trok de bijstand per 1 januari 2012 in, met terugvordering van kosten.
De rechtbank oordeelde dat de werkzaamheden niet als op geld waardeerbaar konden worden aangemerkt vanwege hun incidentele en geringe aard, en vernietigde het besluit van de gemeente. De gemeente ging in hoger beroep en stelde dat de aanwezigheid van betrokkene tijdens reguliere openingstijden duidde op op geld waardeerbare arbeid, en dat de verklaringen van betrokkene niet overeenkwamen met de waarnemingen.
De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld en dat de aanwezigheid tijdens reguliere uren de veronderstelling van op geld waardeerbare arbeid rechtvaardigt, waarvan betrokkene het tegendeel niet aannemelijk had gemaakt. Ook oordeelde de Raad dat de observaties rechtmatig waren en dat betrokkene de inlichtingenplicht had geschonden. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de intrekking en terugvordering van de bijstand.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bijstand wegens niet gemelde arbeid wordt ongegrond verklaard en het besluit bevestigd.