Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Centrale Raad van Beroep
Deze zaak betreft de terugvordering van bijstand die appellant ontving sinds 2012, nadat hij aanspraak kreeg op de nalatenschap van zijn ouders. Appellant betwistte dat de aanspraak op de nalatenschap van zijn moeder al bij haar overlijden ontstond en stelde dat het college onvoldoende rekening hield met zijn schulden en het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de aanspraak op de nalatenschap van de moeder ontstond bij haar overlijden in 2014 en dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar schulden en de belangenafweging. Het college herzag daarop het besluit, waarbij het onderscheid maakte tussen de nalatenschap van moeder en vader en rekening hield met een huurschuld, maar niet met andere schulden wegens onvoldoende bewijs.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant geen nieuw hoger beroep kon instellen tegen de vaststelling van de peildatum voor de aanspraak, dat het college terecht de terugvordering baseerde op de peildatum bij overlijden moeder, en dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor schulden op die peildata. Ook is de belangenafweging van het college niet onevenwichtig, mede omdat het college een sociaal invorderingsbeleid voert en appellant nog over een aanzienlijk vermogen en woning beschikt.
Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van bijstand blijft in stand. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 7 januari 2025.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wegens nalatenschap blijft in stand; het hoger beroep wordt afgewezen.