Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:2026

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 mei 2014
Publicatiedatum
13 juni 2014
Zaaknummer
11-2928 WIA-T
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 7:12 AwbArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over schadevergoeding wegens onrechtmatige loonsanctie door UWV

In deze tussenuitspraak behandelt de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep van appellante tegen het UWV inzake een onrechtmatig opgelegde loonsanctie. Het UWV had een eerdere loonsanctie ingetrokken, maar weigerde de volledige schadevergoeding te betalen die appellante claimde, waaronder doorbetaald loon, werkgeverslasten, vakantiegeld en wettelijke rente.

De Raad verwijst naar vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan onrechtmatig handelt bij het handhaven van een besluit dat later wordt vernietigd. Het UWV erkent de onrechtmatigheid van het besluit van 2 februari 2010 en de Raad stelt vast dat de schade voortvloeit uit de onrechtmatige loonsanctie. De Raad benadrukt dat het UWV ten minste 70% van het door appellante doorbetaalde loon, vermeerderd met werkgeverslasten en vakantietoeslag, moet vergoeden, inclusief wettelijke rente.

Verder wijst de Raad het verzoek tot vergoeding van kosten voor administratieve handelingen en extra hulpverlening af wegens onvoldoende onderbouwing. Ook wordt het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens spanning en frustratie afgewezen, omdat niet is voldaan aan de strenge criteria voor vergoeding van geestelijk leed.

De Raad constateert dat het besluit van 7 februari 2013 een gebrekkige motivering bevat en draagt het UWV op binnen zes weken het besluit te herstellen, met inachtneming van de overwegingen omtrent de schadevergoeding.

Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen en de schadevergoeding inclusief loon, werkgeverslasten, vakantiegeld en wettelijke rente opnieuw vast te stellen.

Uitspraak

11/2928 WIA-T, 12/6132 WIA-T, 13/2371 WIA-T
Datum uitspraak: 23 mei 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van
14 april 2011, 10/1555 WIA (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 16 november 2012 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2012:BY4046), waarbij het Uwv is opgedragen het in die tussenuitspraak vastgestelde gebrek in de motivering van het besluit van 12 juni 2012 te herstellen.
Het Uwv heeft hierop een aanvullende beslissing op bezwaar, gedateerd 7 februari 2013, genomen.
Namens appellante is een reactie gegeven op het besluit van 7 februari 2013.
Voorts heeft het Uwv schriftelijk vragen van de Raad beantwoord waarop namens appellante schriftelijk is gereageerd.
Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2014. Namens appellante is verschenen C. Hageraats. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 16 november 2012 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming.
2. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv bij besluit van 7 februari 2013 zijn standpunt gehandhaafd dat slechts de wettelijke rente over de aan [R.J.] toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering voor vergoeding in aanmerking komt. De door appellante geclaimde schade van € 100,- per dag ter zake van onnodige extra werkzaamheden, uren bellen en brieven schrijven is door het Uwv afgewezen. Voorts heeft het Uwv toegelicht waarom het de hoogte van de reeds bij besluit van 12 juni 2012 toegekende wettelijke rente toereikend acht.
3.
Appellante heeft in haar reactie op het besluit van 7 februari 2013 benadrukt dat het Uwv gehouden is haar de schade te vergoeden die het rechtstreekse gevolg is van de onrechtmatig opgelegde loonsanctie. Die schade bestaat uit het vanaf 8 maart 2010 doorbetaalde (bruto)loon, inclusief alle werkgeverslasten en wettelijke rente. De toegekende wettelijke rente van € 244,30 acht appellante ontoereikend. Voorts zijn nog steeds niet de kosten vergoed, voortvloeiend uit administratieve handelingen die nodig waren om de loonsanctie ongedaan te maken en - in verband daarmee - het moeten inschakelen van extra hulpverlening. Deze kosten worden door appellante gesteld op € 100,- per dag gedurende de periode 8 maart 2010 tot en met het einde van de procedure. Voorts heeft appellante nog gesteld dat zij ten gevolge van de procedure veel spanning en frustratie heeft gehad.
4.
Het nadere besluit op bezwaar van 7 februari 2013 wordt, gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling van het hoger beroep betrokken.
5.
Appellante heeft verschillende schadeposten gesteld, waarop hieronder achtereenvolgens zal worden ingegaan.
Schade als gevolg van het ten onrechte doorbetaalde loon, vermeerderd met werkgeverslasten, vakantiegeld en wettelijke rente.
5.1.1. Naar de Raad reeds herhaaldelijk heeft uitgesproken (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 27 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BE9369), dient bij het beantwoorden van de vraag of en in welke omvang de schade die een partij lijdt voor vergoeding in aanmerking komt, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het burgerrechtelijk schadevergoedingsrecht. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld het arrest van 1 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1036) dat, indien een overheidslichaam een besluit neemt en handhaaft dat naderhand wordt vernietigd wegens strijd met een wettelijke bepaling, het jegens de door de beschikking getroffene een onrechtmatige daad begaat. Daarmee is de schuld van het overheidslichaam in beginsel gegeven. In aansluiting hierop heeft de Raad in zijn uitspraak van 24 februari 1998, ECLI:NL:CRVB:1998:AA8776, geoordeeld dat, indien na bezwaar door een bestuursorgaan een besluit wordt herroepen omdat het onrechtmatig blijkt te zijn, daarmee in beginsel ook de schuld van het bestuursorgaan met betrekking tot dat onrechtmatig gebleken besluit is gegeven.
5.1.2. Niet in geschil is dat het Uwv bij besluit van 7 juni 2010 de bij besluit van 2 februari 2010 aan appellante opgelegde loonsanctie niet heeft gehandhaafd en deze heeft herroepen. Daarmee staat de onrechtmatigheid van het besluit van 2 februari 2010 vast. Het Uwv heeft deze onrechtmatigheid erkend. Dit onrechtmatig handelen dient in beginsel aan het Uwv te worden toegerekend. Daarmee is de schadevergoedingsplicht voor het Uwv in beginsel gegeven.
5.1.3. De vraag is vervolgens of de door appellante geclaimde loonschade een gevolg is van het onrechtmatige besluit. Onder verwijzing naar zijn onder 5.1.1 genoemde uitspraak van
27 augustus 2008 is de Raad van oordeel dat de door appellante geclaimde loonschade een gevolg is van de onrechtmatig opgelegde loonsanctie. Blijkens de beantwoording van de door de Raad aan het Uwv gestelde vragen, heeft het Uwv miskend dat die schade voor appellante is ontstaan met de uitbetaling aan de werknemer van loon op grond van de - achteraf onrechtmatig gebleken - aan haar opgelegde loonsanctie. Dit betekent dat het Uwv 70% van het door appellante over de desbetreffende periode doorbetaalde loon, althans het wettelijk minimumloon, aan appellante had dienen te vergoeden. Voorts dient over dit loon de opgebouwde vakantietoeslag te worden vergoed. De aan de loondoorbetaling verbonden werkgeverslasten staan in een zodanig nauw verband met deze loondoorbetaling dat ook deze posten deel uitmaken van de geleden schade. Over het aldus vast te stellen schadebedrag is wettelijke rente verschuldigd.
Gevolgschade.
5.2.
Met betrekking tot het door het Uwv afgewezen verzoek om appellante een schadevergoeding van € 100,- per dag toe te kennen vanaf 8 maart 2010 tot en met het eind van de procedure wordt het volgende overwogen. Uit de overgelegde stukken kan niet worden geconcludeerd of appellante extra hulpverlening heeft moeten inschakelen wegens de administratieve handelingen die nodig waren om de loonsanctie ongedaan te maken noch welke kosten daarmee gepaard zijn gegaan. Nu appellante de gestelde schade niet nader heeft onderbouwd heeft het Uwv het verzoek in zoverre terecht afgewezen.
Schade in verband met spanning en frustratie.
5.3.
Voor zover appellante met haar stelling dat de gehele procedure haar veel spanning en frustratie heeft gegeven een verzoek om immateriële schadevergoeding heeft beoogd wordt overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoet aan de voor toewijzing van een dergelijke schadevergoeding geldende voorwaarde, dat zij zodanig onder de besluiten heeft geleden dat sprake was van geestelijk leed dat kan worden beschouwd als een aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 30 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1216) is daarvoor onvoldoende dat - zoals in dit geval - sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatige besluit. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is dan ook terecht afgewezen door het Uwv.
6.
Uit de overwegingen 5.1.1 tot en met 5.1.3 volgt de conclusie dat het besluit van
7 februari 2013 berust op een gebrekkige motivering, zodat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
7.
In het voorliggende geval leent de aard van het vastgestelde gebrek zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het Uwv. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 8:51a van de Awb het Uwv andermaal op te dragen het door de Raad in overweging 5.1.3 geconstateerde gebrek in het besluit van 7 februari 2013 te herstellen. Het Uwv dient een nieuw besluit te nemen met betrekking tot de door appellante gevorderde loonschade, vermeerderd met werkgeverslasten, vakantiegeld en wettelijke rente.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en B.M. van Dun en
M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2014.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) M.P. Ketting

RB