ECLI:NL:CRVB:2014:2742
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als onderhoudsmonteur, staakte zijn werk vanwege arm- en schouderklachten. Het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering. Appellant betwistte dit en voerde aan dat zijn beperkingen ernstiger zijn en dat de functies die hij geacht wordt te kunnen verrichten niet passend zijn vanwege zijn lage opleidingsniveau en leesproblemen.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de bezwaarverzekeringsarts het standpunt van appellant voldoende had weerlegd. De arbeidskundige rapporten stelden dat appellant geschikt was voor bepaalde functies met een belastbaarheid die niet werd overschreden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunten, ondersteund door rapporten van arbeidsdeskundigen en dyslexie-instituten. Het UWV reageerde met aanvullende medische en arbeidskundige rapporten en verwees naar eerdere jurisprudentie die het gebruikte systeem (CBBS) als aanvaardbaar beschouwde.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek en de arbeidskundige beoordeling voldoende waren en dat de kritiek op het CBBS niet tot twijfel leidde. Ook werd geoordeeld dat appellant ondanks zijn leesproblemen in staat is de geselecteerde eenvoudige functies uit te oefenen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.