ECLI:NL:CRVB:2016:3288
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-wonen op uitkeringsadres
Appellanten ontvingen bijstand op basis van inschrijving op een uitkeringsadres, maar woonden feitelijk elders. Na onderzoek en meerdere oproepen zonder gehoor trok het college de bijstand in en vorderde de kosten terug over de periode 3 januari tot 9 juli 2013. Tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de medewerkingsplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de terugvordering niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen de boete en intrekking af. In hoger beroep voerden appellanten aan dat het intrekkingsbesluit ontbrak voor de terugvordering en dat de boete onrechtmatig was omdat voorafgaand aan een verhoor geen cautie was gegeven.
De Raad oordeelde dat het college het aanvankelijke verzuim inzake het intrekkingsbesluit tijdig had hersteld en dat het onderzoek voldoende grond bood voor de conclusie dat appellanten niet op het uitkeringsadres verbleven. De verklaring van appellanten tijdens het gesprek zonder cautie werd buiten beschouwing gelaten, maar hun latere schriftelijke verklaring en bankafschriften vormden voldoende bewijs voor de boete. De boete werd herzien en verlaagd tot € 1.590.
De Raad bevestigde het intrekkings- en terugvorderingsbesluit, verklaarde het beroep tegen het boetebesluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het nader besluit af. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd, de boete wordt herzien en verlaagd tot € 1.590,-, en het beroep tegen het nader besluit wordt ongegrond verklaard.