De zaak betreft een hoger beroep tegen een beslissing van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) over de indicatie voor activerende begeleiding (AB) en begeleiding individueel binnen de AWBZ. De Raad stelde vast dat CIZ de tussenuitspraak niet juist had uitgevoerd, met name door onvoldoende onderzoek te doen naar de noodzaak van AB naast de zorg op grond van de Zorgverzekeringswet.
CIZ had een herziene beslissing genomen waarin diverse indicaties werden vastgesteld, maar geen indicatie voor AB. Betrokkene voerde aan dat deze indicatie onvolledig was en dat er sprake was van een grote zorgbehoefte vanwege haar psychiatrische aandoening. De Raad oordeelde dat CIZ onvoldoende had gemotiveerd waarom geen hogere indicatie voor begeleiding individueel was gesteld en dat de indicatie voor AB ontbrak.
De Raad besloot zelf in de zaak te voorzien door betrokkene een indicatie voor AB, klasse 4 (7 tot 9,9 uur per week), toe te kennen voor de periode van 8 februari 2008 tot 1 januari 2010. Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, waardoor de Staat en CIZ gezamenlijk een schadevergoeding aan betrokkene moesten betalen.
De uitspraak bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank voor zover aangevochten, vernietigt het bestreden besluit voor zover geen indicatie voor AB is gesteld, en veroordeelt CIZ en de Staat tot betaling van schadevergoedingen en proceskosten.