ECLI:NL:CRVB:2015:3017
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. de Mooij
- J. Brand
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Geen positieve verplichting tot maatschappelijke opvang voor uitgeprocedeerde vreemdeling zonder feitelijke dakloosheid
Appellante, een vrouw van Tibetaanse afkomst zonder rechtmatig verblijf in Nederland, vroeg maatschappelijke opvang aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden voor toelating tot maatschappelijke opvang, met name omdat er geen sprake was van feitelijke dakloosheid. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en wees ook het verzoek om een voorlopige voorziening af.
In hoger beroep stelde appellante dat het college haar hulp had moeten bieden op grond van artikel 8 EVRM Pro. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van de Wmo en de Vreemdelingenwet 2000 appellante geen aanspraak kon maken op maatschappelijke opvang. De Raad bevestigde dat de bevoegdheidsverdeling zoals vastgesteld in eerdere uitspraken van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep nog van toepassing was op deze aanvraag.
De Raad stelde vast dat gedurende de relevante periode appellante verbleef bij vrienden en kennissen binnen haar gemeenschap en dat er geen sprake was van dakloosheid of dreigende dakloosheid. Daarom bestond geen positieve verplichting voor het college om opvang te bieden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang bevestigd.