ECLI:NL:CRVB:2015:3360
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij Ziektewet-uitkering
Appellant was werkzaam als magazijn-/facilitairmedewerker via een uitzendbureau en viel uit wegens knieklachten. Na een knieoperatie vroeg hij een WIA-uitkering aan. Het UWV beëindigde de Ziektewet-uitkering per 1 november 2012 omdat appellant volgens een bedrijfsarts hersteld was voor zijn bedongen arbeid. Appellant maakte bezwaar en het UWV verklaarde dit bezwaar gegrond, waarna betrokkene (uitzendbureau) beroep instelde.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit. Appellant stelde in hoger beroep dat hij vanwege fysieke beperkingen niet geschikt was voor zijn werk en daarom recht had op ziekengeld. Het UWV stelde dat appellant geen belang had bij het hoger beroep omdat hij de volledige Ziektewet-uitkering had ontvangen en later een WW-uitkering kreeg.
De Raad oordeelde dat appellant geen procesbelang had omdat een uitspraak in hoger beroep de ingangsdatum van de WW-uitkering niet zou wijzigen en er geen feitelijke betekenis voor appellant te behalen viel. Daarom werd het hoger beroep niet ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.