ECLI:NL:CRVB:2015:3578
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beslagvrije voet en betalingsbeslissing bij derdenbeslag op AOW-uitkering
In deze zaak staat de uitvoering van derdenbeslag op de AOW-uitkering van betrokkene centraal. Na een beslaglegging op het ouderdomspensioen werd de beslagvrije voet aanvankelijk vastgesteld op nul euro, waarna later meerdere aanpassingen werden gemeld door de deurwaarder. Appellant, de Sociale verzekeringsbank, hield bedragen in op de AOW-uitkering en maakte deze over aan de deurwaarder.
Betrokkene maakte bezwaar tegen de inhoudingen, stellende dat de beslagvrije voet onjuist was vastgesteld en dat latere aanpassingen niet waren meegenomen, wat volgens hem in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat appellant het gebrek moest herstellen, maar in hoger beroep stelt de Raad dat de bestuursrechter slechts een beperkte toets mag toepassen en dat de beslagvrije voet door de deurwaarder wordt vastgesteld zonder beoordelingsvrijheid voor appellant.
De Raad bevestigt dat het besluit van 9 januari 2012 als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht moet worden gezien, maar dat latere wijzigingen niet meer in de betalingsopdrachten van die maand konden worden verwerkt. De Raad oordeelt dat appellant niet onzorgvuldig heeft gehandeld en dat de bezwaren terecht ongegrond zijn verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de besluiten van appellant worden bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellant terecht binnen de kaders van het beslag heeft gehandeld en vernietigt de uitspraak van de rechtbank.