ECLI:NL:CRVB:2015:4106
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van verhaalsbesluit WW-uitkering wegens niet-verwijtbare werkloosheid werknemer
De zaak betreft een hoger beroep van een werkgever tegen besluiten van het UWV waarbij WW-uitkeringen, toegekend aan een werknemer die op eigen verzoek ontslag nam, werden verhaald op de werkgever als eigen risicodrager. De werknemer was in 2010 op verzoek van de werkgever ontslag gaan nemen nadat hij was betrapt op diefstal en fraude binnen het bedrijf. Hoewel de werknemer formeel zelf ontslag nam, stond hij feitelijk voor de keuze tussen strafontslag per direct of ontslag op eigen verzoek met uitstel.
De rechtbank had geoordeeld dat de werknemer niet verwijtbaar werkloos was geworden omdat hij feitelijk niet anders kon dan zelf ontslag nemen en dat er geen subjectieve dringende reden voor ontslag was, mede vanwege het feit dat het ontslag pas per 1 september 2010 inging en de werknemer tot die tijd loon ontving zonder werkzaamheden te verrichten. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze beoordeling en benadrukt dat de omstandigheden rondom het ontslagbesluit moeten worden betrokken bij de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid.
De Raad stelt vast dat de werkgever niet voortvarend genoeg heeft gehandeld om het dienstverband zo snel mogelijk te beëindigen, mede door praktische en sociale overwegingen die leidden tot een latere ingangsdatum van het ontslag. Dit betekent dat de werknemer niet verwijtbaar werkloos is geworden en dat het UWV terecht de WW-uitkering op de werkgever heeft verhaald. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WW-uitkering terecht is verhaald op de werkgever omdat de werknemer niet verwijtbaar werkloos is geworden.