ECLI:NL:CRVB:2015:965
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijstandsaanvraag wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant had een aanvraag om bijstand ingediend waarbij hij verklaarde zijn hoofdverblijf te hebben op een bepaald adres. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam weigerde de bijstand omdat er twijfel bestond over de juistheid van de woongegevens. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk op het opgegeven adres verbleef.
Appellant voerde aan dat het huisbezoek op 11 januari 2013 niet had mogen plaatsvinden omdat er geen redelijke grond voor was. De Raad verwijst naar vaste rechtspraak waarin is bepaald dat een huisbezoek alleen gerechtvaardigd is als er concrete objectieve feiten zijn die twijfel zaaien over de verstrekte wooninformatie. In dit geval had het college tegenstrijdige informatie ontvangen, zoals afwijkingen tussen verklaringen en bankafschriften, en daarom was het huisbezoek terecht.
Verder stelde appellant dat zijn woonsituatie op een minder belastende wijze had kunnen worden geverifieerd, maar de Raad oordeelde dat een buurtonderzoek onvoldoende is en dat het college al gesprekken en schriftelijke informatie had ingewonnen. Tijdens het huisbezoek werden nauwelijks persoonlijke spullen van appellant aangetroffen, wat niet strookt met zijn verklaring dat hij al sinds juli 2012 op het adres stond ingeschreven.
De Raad concludeert dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres en bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de bijstandsaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van het hoofdverblijf op het opgegeven adres.