Appellante had beperkingen bij het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en ontving op grond van de Wmo hulp bij het huishouden. Het college had de omvang van deze hulp in meerdere besluiten verlaagd op basis van een richtlijn met lagere normtijden en het gebruik van een maaltijdservice als voorliggende voorziening.
De rechtbanken hadden de besluiten van het college in eerste aanleg ongegrond verklaard, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de lagere normtijden niet op deugdelijk onderzoek berusten en dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellante gebruik kan maken van de maaltijdservice. Tevens zijn besluiten 3 en 4 onbevoegd genomen omdat het college deze niet onverwijld aan de rechtbank heeft medegedeeld.
De Raad vernietigt de aangevallen uitspraken en bestreden besluiten, herroept eerdere besluiten en voorziet zelf in de zaak. De toekenning van hulp bij het huishouden wordt vastgesteld op 6 uur en 30 minuten per week tot 9 september 2012, 6 uur en 10 minuten tot 12 mei 2013, en 3 uur per week vanaf 13 mei 2013. Daarnaast veroordeelt de Raad het college tot betaling van wettelijke rente over het na te betalen pgb, een schadevergoeding van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn, en vergoeding van proceskosten en griffierechten.