Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
BESLISSING
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal
Centrale Raad van Beroep
Appellante en haar echtgenoot werden door de kantonrechter veroordeeld tot ontruiming van hun huurwoning. Vervolgens werd tijdelijke huisvesting in een wooncontainer aangeboden. Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van woninginrichting, maar het college wees dit af omdat de verhuizing volgens hen voorzienbaar was.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellante de wooncontainer inmiddels had verlaten en geen belang meer zou hebben. In hoger beroep oordeelt de Raad echter dat appellante wel belang heeft bij beoordeling van het besluit, mede vanwege een verzoek om vergoeding van kosten rechtsbijstand.
De Raad stelt dat de inrichtingskosten incidentele, noodzakelijke bestaanskosten zijn die in principe uit de bijstandsnorm moeten worden voldaan, tenzij bijzondere omstandigheden dit onmogelijk maken. De Raad vindt dat de verhuizing niet voorzienbaar was voor appellante en dat de kosten daarom voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
Daarom verklaart de Raad het beroep gegrond en vernietigt het besluit van het college wegens strijd met het motiveringsbeginsel. De rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand omdat de wooncontainer inmiddels is ontruimd. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt vernietigd wegens niet-voorzienbaarheid van de verhuizing.