ECLI:NL:CRVB:2016:1771
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang wegens verblijf in vrijheidsbeperkende locatie
Appellante, een vreemdeling zonder Nederlandse nationaliteit, vroeg op 17 april 2013 maatschappelijke opvang aan op grond van de Wmo. Het college van burgemeester en wethouders van Almere wees deze aanvraag op 17 juni 2014 af omdat appellante werd opgevangen in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Dit werd bevestigd bij bezwaar op 28 oktober 2014.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte haar beroepsgronden inzake schending van artikel 3 EVRM Pro en haar staatloosheid buiten beschouwing had gelaten. De Raad oordeelde dat de beoordelingsperiode liep van de datum van aanvraag tot de beslissing op bezwaar, en dat appellante gedurende die periode feitelijk onderdak had in de VBL.
Omdat er geen concreet zicht was op uitzetting uit de VBL en dus geen dreigende dakloosheid, mocht het college de aanvraag afwijzen. De Raad stelde dat onder deze omstandigheden het beroep op internationale verdragen en het EVRM geen bespreking behoefde. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag maatschappelijke opvang wordt afgewezen omdat appellante gedurende de beoordelingsperiode verblijf had in een vrijheidsbeperkende locatie en geen dreigende dakloosheid bestond.