ECLI:NL:CRVB:2016:1794
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-woonachtig zijn op opgegeven adres
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een adres in Wijchen. Na een onderzoek naar zijn woon- en leefsituatie, waarbij bleek dat hij feitelijk bij zijn moeder woonde, werd de bijstand opgeschort en later ingetrokken. Appellant was niet verschenen bij een gesprek en gaf onvoldoende medewerking, waarop het college besloot de bijstand in te trekken en terug te vorderen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de bezwaarprocedure niet correct was verlopen, dat zijn medische situatie onvoldoende was meegewogen en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De Raad oordeelde dat de bezwaarprocedure rechtmatig was, dat appellant verwijtbaar had gehandeld door niet te verschijnen en dat het onderzoek voldoende grondslag bood voor de intrekking.
De Raad stelde vast dat de feitelijke woonplaats bepalend is en dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde. Ook de medische situatie rechtvaardigde geen andere conclusie. Dringende redenen voor kwijtschelding van terugvordering waren niet aannemelijk gemaakt. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet-woonachtig zijn op het opgegeven adres wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.