ECLI:NL:CRVB:2016:2580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering bijstand wegens stortingen ouders als inkomsten
Appellant ontvangt sinds 2004 bijstand en kreeg in 2013 meerdere stortingen van zijn ouders, waaronder een bedrag van € 2.000,- voor een huurachterstand. Het college herzag de bijstand en vorderde € 1.290,- terug, omdat deze bedragen als inkomsten werden aangemerkt. Appellant stelde dat het om een lening ging en dat terugvordering onaanvaardbare financiële gevolgen had.
De Raad oordeelde dat periodieke betalingen van derden, ook als lening, als inkomsten worden beschouwd volgens vaste rechtspraak. Appellant zat niet zonder inkomen en was niet aangewezen op leningen om in levensonderhoud te voorzien. Daarnaast schond appellant zijn inlichtingenplicht door niet onverwijld melding te maken van de stortingen.
De Raad vond geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, aangezien appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen zou hebben. De eerdere maatregelen en financiële problemen rechtvaardigen geen uitzondering. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van € 1.290,- bevestigd.