ECLI:NL:CRVB:2016:998
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring hoger beroep bij afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs leningen en afstemming woonlasten
Appellant heeft bijstand aangevraagd op grond van de WWB, maar het college wees de aanvraag af omdat appellant een gezamenlijke huishouding zou voeren en vanwege onduidelijke financiële situatie. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding, maar handhaafde het besluit tot afwijzing op andere gronden.
In hoger beroep stelde appellant dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en dat hij zijn levensonderhoud deels door leningen had gefinancierd. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de ontvangen bedragen daadwerkelijk leningen waren met terugbetalingsverplichting. De stortingen op zijn bankrekeningen moesten daarom als middelen worden beschouwd die het recht op bijstand beperken.
Verder werd vastgesteld dat appellant geen woonlasten betaalde omdat een derde deze betaalde, wat een substantiële besparing opleverde en daarom een afstemming van de bijstand rechtvaardigt. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, en droeg het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met afstemming van de bijstand op de door een derde betaalde woonlasten.