Uitspraak
mr. dr. J.H. Ermers, mr. A.I. Damsma en mr. P.J. van Ogtrop.
OVERWEGINGEN
16 november 2015. Verwijzend naar de uitspraak van het Hof Arnhem van 14 oktober 2005 (ECLI:NL:GHARN:2005:AU3100) en het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 1999 (ECLI:NL:HR:1999:ZE0527), hebben appellanten aangevoerd dat het vooruitzicht dat deelname aan een werkstaking zal leiden tot een substantiële verlaging van een WW‑uitkering, een werknemer – zowel in financieel als in geestelijk opzicht – zodanig beperkt in zijn vrijheid om van dit sociaal grondrecht gebruik te maken, dat de werknemer af zal zien van deelname aan een staking. Voor de beperking van het stakingsrecht is volgens appellanten geen rechtvaardiging. Uit de arresten van de Hoge Raad van 31 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3077, Enerco) en 19 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1687, Amsta) volgt volgens appellanten dat het stakingsrecht alleen kan worden beperkt op grond van artikel G, eerste lid van het ESH als dit maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is en niet mag worden beperkt door na afloop van de staking (mogelijke) financiële barrières op te werpen voor werknemers die deel hebben genomen aan een staking. Appellanten verwijzen ter onderbouwing van hun gronden verder naar de uitspraak van de Raad van 16 december 2016. Inmiddels heeft ook de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dit ingezien en is het Dagloonbesluit bij besluit van 24 oktober 2016 (Stb. 2016, 390) gewijzigd waardoor stakingsdagen niet langer leiden tot een lager dagloon.
4 augustus 2016 (ECLI:NL:RBMNE:2016:4447). De uitspraak van de Raad van 16 december 2016 geeft het Uwv geen aanleiding om een ander standpunt in te nemen omdat deze zaak niet gaat over een vergelijkbare situatie, maar over de toegang tot de WW (de referte-eis). Anders dan bij de referte-eis is er bij het dagloon geen sprake van een “alles of niets uitkomst” (wel of geen uitkering) maar ligt het verband tussen de werkstaking en de WW‑uitkering genuanceerder. De gevolgen zijn volgens het Uwv minder groot. Van een financiële druk, zoals in de uitspraak van 16 december 2016 wordt aangenomen bij het vasthouden aan de wekeneis, is volgens het Uwv in de onderhavige zaken geen sprake. Het is aannemelijk dat de overwegingen om wel of niet te gaan staken uiteindelijk door andere
– meer directe en actuele – factoren wordt gekleurd dan door een onzekere toekomstige gebeurtenis en de hoogte van een recht op uitkering. Volgens de ‘Conclusions’ van het Comité van deskundigen in Straatsburg moeten werknemers genoegen nemen met minder loon tijdens een staking. De overheid mag zich behoudens de in het ESH genoemde uitzonderingsgevallen niet mengen (positief of negatief) in conflicten tussen werkgevers en werknemers die zijn uitgemond in een collectieve actie. Dit uitgangspunt staat volgens het Uwv ook aan de basis van artikel 19, eerste lid, onder l van de WW, de uitsluitingsgrond wegens staking. Dat de wetgever het Dagloonbesluit heeft aangepast doet hier volgens het Uwv niet aan af.
1 september 2017 in werking. Het standpunt van het Uwv dat uit de wijzigingsdatum blijkt dat volgens de wetgever ten aanzien van dit soort gevallen geen strijd met het stakingsrecht bestaat, wordt niet gevolgd. Uit de nota van toelichting (Stb. 2016, 390) blijkt dat deze datum het gevolg is van uitvoeringstechnische voorwaarden. Het standpunt van het Uwv dat de overheid zich terughoudend moet opstellen in de onderhavige zaken blijkt noch uit het aangepaste Dagloonbesluit noch uit het Besluit loondagen. Ook uit de tekst van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder l, van de WW volgt niet dat de wetgever zich terughoudend moet opstellen. Immers, genoemd artikel heeft slechts betrekking op werkloosheid tijdens staking en niet daarna en geeft verder ook geen basis voor enige nadere regeling van het dagloon.
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen de besluiten van 16 november 2015 gegrond;
- draagt het Uwv op nieuwe beslissingen op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat beroep tegen door het Uwv te nemen nieuwe beslissingen op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 2.970,-;
- bepaalt dat het Uwv aan [Appellant 1] en [Appellant 7] in beroep betaalde griffierecht van € 45,- en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,-, in totaal € 168,- aan ieder afzonderlijk vergoedt;
- bepaalt dat het Uwv aan de overige appellanten ieder afzonderlijk het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,- vergoedt.