ECLI:NL:CRVB:2017:2189
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Veroordeling UWV in proceskosten en toewijzing wettelijke rente na onrechtmatige beëindiging WIA-uitkering
Appellant stelde hoger beroep in tegen een besluit van het UWV waarbij de WIA-uitkering onrechtmatig was beëindigd per 27 april 2014. Het UWV kwam geheel tegemoet aan de bezwaren met een gewijzigde beslissing op bezwaar van 14 juli 2016, waarna appellant het hoger beroep introk en proceskostenvergoeding en schadevergoeding vorderde.
De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten, begroot op € 2.816,96, bestaande uit kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, inclusief reiskosten en verschotten. Tevens werd het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen uitkering toegewezen.
Het verzoek tot vergoeding van overige materiële schade werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Ook het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens vermeende verslechtering van de gezondheidstoestand werd afgewezen, omdat de medische stukken geen verband aantonen met het onrechtmatige besluit en psychische klachten onvoldoende zijn voor vergoeding.
De uitspraak benadrukt dat vergoeding van immateriële schade alleen toekomt bij ernstige inbreuken op persoonlijke levenssfeer en niet bij psychisch onbehagen. Voor vergoeding van griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het UWV wenden.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van wettelijke rente, terwijl overige schadevergoedingsvorderingen worden afgewezen.