ECLI:NL:CRVB:2017:3114

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 september 2017
Publicatiedatum
12 september 2017
Zaaknummer
16/2839 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 PWArt. 16 PWArt. 5 PWArt. 21 Wht
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bijzondere bijstand voor woonlasten bij aangepaste woning gehandicapte

Appellante, een alleenstaande die bijstand ontvangt op grond van de Participatiewet, vroeg bijzondere bijstand voor woonlasten na het intrekken van een woonlastenregeling door het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard. Deze aanvraag werd afgewezen omdat de Wet op de huurtoeslag (Wht) als een passende en toereikende voorliggende voorziening geldt.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de Wht ook in bijzondere situaties, zoals bij gehandicapten die in aangepaste woningen wonen, voorziet in extra huurtoeslag. Appellante ontving reeds de maximale huurtoeslag als alleenstaande, waardoor geen ruimte is voor aanvullende bijzondere bijstand.

Verder stelde appellante dat zij financieel niet in staat is de huur te betalen en dat huisuitzetting dreigt. De Raad stelde dat dit geen acute noodsituatie oplevert zoals bedoeld in artikel 16 van Pro de Participatiewet, waarvoor bijzondere bijstand kan worden verleend. Daarom is het beroep ongegrond en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het beroep op bijzondere bijstand voor woonlasten wordt afgewezen omdat de huurtoeslag als passende en toereikende voorliggende voorziening geldt en geen acute noodsituatie is vastgesteld.

Uitspraak

16.2839 PW

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
23 maart 2016, 15/4759 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 12 september 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
J.Z. Schoemaker en P.M. Rabenort.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Appellante ontving tot 1 januari 2015 bijzondere bijstand in de vorm van een woonlastenregeling op grond van het inkomensondersteuningsbeleid van de Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard. Dit beleid is met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken. Bij besluit van 11 maart 2015 heeft het dagelijks bestuur bij wijze van overgangsregeling de woonlastenregeling voor appellante gecontinueerd tot 1 juli 2015. Daarbij heeft het dagelijks bestuur appellante meegedeeld dat zij na 1 juli 2015 geen aanspraak meer kan maken op een woonlastenregeling. Appellante ontving een bedrag van € 126,19 per maand voor woonlasten.
1.3.
Op 17 maart 2015 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de PW voor woonlasten na 1 juli 2015.
1.4.
Bij besluit van 25 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 juni 2015 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag om bijzondere bijstand voor woonlasten na 1 juli 2015 afgewezen op de grond dat de Wet op de huurtoeslag (Wht) als een toereikende en passende voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van Pro de PW geldt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Op grond van artikel 15, eerste lid, van de PW bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot de kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Indien binnen de voorliggende voorziening een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van deze kosten, kan het bijstandverlenend orgaan daarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand toekennen.
4.1.2.
Op grond van artikel 5, aanhef en onder e, van de PW wordt onder een voorliggende voorziening verstaan elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.
4.1.3.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7267), die zijn gelding heeft behouden onder de PW, moet de huurtoeslag voor woonkosten worden beschouwd als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening.
4.2.
Appellante heeft aangevoerd dat de Wht in haar geval geen passende en toereikende voorliggende voorziening is. Deze beroepsgrond slaagt niet. In artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wht is geregeld dat in bijzondere situaties, bijvoorbeeld als een betrokkene gehandicapt is en in een aangepaste woning woont zoals appellante, meer huurtoeslag wordt toegekend dan normaal. Het gaat daarbij om drie situaties, waarbij slechts in één van die drie situaties extra huurtoeslag wordt toegekend. Appellante ontvangt deze extra huurtoeslag al omdat zij alleenstaande is. De Belastingdienst heeft het verzoek van appellante om bij de berekening van de huurtoeslag 2015 rekening te houden met het feit dat zij als gehandicapte in een aangepaste woning woont dan ook afgewezen, omdat zij al extra huurtoeslag krijgt als alleenstaande en dus al de maximale huurtoeslag krijgt. In de voorliggende voorziening is aldus een bewuste keuze gemaakt ten aanzien van het toekennen van de hoogte van de (extra) huurtoeslag in bepaalde situaties. Dit betekent dat artikel 15 van Pro de PW in de weg staat aan verlening van bijzondere bijstand voor de hier aan de orde zijnde kosten.
4.3.1.
Appellante heeft verder aangevoerd dat zij onvoldoende financiële draagkracht heeft om de kosten van de huur voor haar aangepaste woning zelf te dragen en dat zij niet kan verhuizen naar een goedkopere woning. Appellante zal toenemend in de schulden geraken waarbij, als zij de huur niet kan betalen, huisuitzetting dreigt.
4.3.2.
Op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW kan het dagelijks bestuur aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, toch bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Voor zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808) is een acute noodsituatie aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Met wat appellante heeft aangevoerd over haar financiële situatie, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van een acute noodsituatie in de hiervoor bedoelde zin. Verlening van bijzondere bijstand met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de PW is daarom niet aan de orde.
4.4.
Uit 4.1.1 tot en met 4.3.2 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt. Deze uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en M. Hillen en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2017.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) J. Tuit

HD