Uitspraak
20 januari 2015, 14/9375 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving voor 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) van het Zorgkantoor. Zij diende een verantwoording in waaruit bleek dat een bedrag van € 1.432,25 aan een zorgverlener was betaald. Het Zorgkantoor keurde deze verantwoording af en stelde het pgb vast op € 0,-, waarna het bedrag werd teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het pgb daadwerkelijk was besteed aan zorg, ondanks het ontbreken van declaraties en omschrijvingen. Tevens voerde zij aan dat het besluit niet op een evenredige belangenafweging berustte.
De Raad oordeelt dat het Zorgkantoor terecht de verantwoording afkeurde omdat appellante niet voldeed aan de verplichtingen uit de Regeling subsidies AWBZ. Het Zorgkantoor was bevoegd het pgb lager vast te stellen en de betaalde voorschotten terug te vorderen. De belangenafweging was redelijk en er waren geen omstandigheden die terugvordering onredelijk maakten.
De Raad vernietigt de eerdere uitspraak en verklaart het beroep tegen het terugvorderingsbesluit ongegrond. Tevens veroordeelt de Raad het Zorgkantoor tot vergoeding van proceskosten aan appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugvorderingsbesluit van het pgb wordt ongegrond verklaard en het Zorgkantoor mag het bedrag van € 1.432,25 terugvorderen.