ECLI:NL:CRVB:2018:1383
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd onderzocht vanwege kasstortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekeningen die niet waren gemeld aan het college. Het college besloot de bijstand over de periode 1 oktober 2014 tot en met 31 mei 2015 te herzien en een bedrag van €3.263,70 terug te vorderen. Appellant voerde aan dat het merendeel van de kasstortingen bestond uit zijn eigen opgenomen uitkeringsgeld dat hij na gokken had teruggestort en dat een bijschrijving van €250 een lening betrof.
De rechtbank bevestigde het besluit, stellende dat appellant de herkomst van de kasstortingen niet met objectieve en verifieerbare gegevens had aangetoond en dat hij de inlichtingenverplichting had geschonden. In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad oordeelde dat kasstortingen en bijschrijvingen in beginsel als middelen in de zin van de Participatiewet worden beschouwd, ook als het om leningen gaat. Appellant kon niet aannemelijk maken dat de kasstortingen afkomstig waren van eerder opgenomen uitkeringsgeld.
De Raad concludeerde dat het college aannemelijk had gemaakt dat aan de voorwaarden voor herziening was voldaan en dat appellant geen gegronde bezwaren had tegen de terugvordering. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van bijstand bevestigd.