ECLI:NL:CRVB:2018:1729
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en matiging boete wegens schending inlichtingenplicht WW-uitkering
Betrokkene ontving vanaf 3 februari 2014 een WW-uitkering en was verplicht wijzigingen binnen een week te melden. Vanaf 1 september 2014 werkte hij circa 32 uur per week voor een bedrijf van een vriend, zonder vergoeding. Het UWV herzag de WW-uitkering en vorderde terugbetaling van €14.149,52, plus een boete wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank oordeelde dat sprake was van dringende redenen om terugvordering en boete achterwege te laten, vanwege de onbetaalde vriendendienst en persoonlijke omstandigheden. Het UWV ging in hoger beroep tegen dit oordeel.
De Centrale Raad stelde vast dat de werkzaamheden niet als vriendendienst of vrijwilligerswerk konden worden aangemerkt, omdat zij in het economisch verkeer plaatsvonden. De reistijd van vier uur per week werd niet als arbeidstijd beschouwd. Daarom had het UWV de WW-uitkering moeten herzien voor 32 uur per week, met een resterend recht van vier uur.
De Raad oordeelde dat geen dringende redenen bestonden om terugvordering af te zien, omdat de genoemde omstandigheden geen betrekking hadden op onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen. De boete werd gematigd van 25% naar 10% van het benadelingsbedrag, omdat betrokkene geen vergoeding ontving en uit medemenselijkheid handelde.
De Raad vernietigde het bestreden besluit, stelde de terugvordering vast op €12.557,40 en de boete op €1.080,-, en veroordeelde het UWV tot vergoeding van kosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt gegrond verklaard, terugvordering en boete worden verminderd en het bestreden besluit vernietigd.