Appellant ontvangt bijstand en woont met zijn moeder op hetzelfde adres. Het college heeft de kostendelersnorm toegepast waardoor zijn bijstand werd verlaagd, omdat zijn moeder als medebewoner werd meegeteld. Appellant stelde dat er sprake was van een commerciële huurovereenkomst tussen hem en zijn moeder, waardoor de uitzondering op de kostendelersnorm van toepassing zou zijn.
De Raad oordeelde dat de moeder van appellant medehuurder is, maar geen huurder met een individuele commerciële huurovereenkomst. De verhuurder heeft slechts één huurovereenkomst met hoofdhuurder en medehuurder samen, waardoor geen zakelijke relatie tussen bewoners bestaat. Hierdoor is de kostendelersnorm terecht toegepast.
Appellant voerde ook aan dat de bijstand niet was afgestemd op zijn extra medische kosten, maar dit werd verworpen omdat het bedrag te gering was. Verder werd het beroep op het eigendomsrecht en discriminatie op grond van internationale verdragen afgewezen, omdat de inmenging in het eigendomsrecht wettelijk is voorzien, een legitiem doel dient en geen buitensporige last oplevert.
De Raad concludeerde dat de toepassing van de kostendelersnorm niet in strijd is met het recht op eigendom, discriminatieverboden of het recht op privéleven. Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding wordt geweigerd.