ECLI:NL:CRVB:2018:219
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging eerste arbeidsongeschiktheidsdag en wachttijd bij WIA-uitkering na CVA
Appellante, getroffen door een hersenbloeding op 5 april 2009, heeft na revalidatie en hersteldmelding op 16 november 2010 tot 2 juli 2012 werkzaamheden verricht, waarna zij uitviel met psychische klachten. Het Uwv wees aanvankelijk een WIA-uitkering af wegens het ontbreken van een aaneengesloten periode van 104 weken arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar en beroep stelde het Uwv de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast op 5 april 2009 en de wachttijd op 2 april 2011.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de hersteldverklaring niet leidde tot onderbreking van de wachttijd. Appellante stelde in hoger beroep dat zij niet ongeschikt was geweest tussen november 2010 en juli 2012 en dat een praktische schatting van loonwaarde ten onrechte was achterwege gelaten.
De Raad beoordeelde dat de hersteldverklaring niet doorslaggevend is en baseerde zich op rapporten van verzekeringsarts en arbeidsdeskundige die functioneringsproblemen en cognitieve beperkingen als gevolg van het CVA aantoonden. De Raad concludeerde dat de wachttijd ononderbroken is vervuld en dat een praktische schatting niet passend was omdat appellante niet in staat was tot arbeid met haar krachten en bekwaamheden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 5 april 2009 ligt en dat de wachttijd op 2 april 2011 is vervuld, waardoor het beroep van appellante wordt afgewezen.