Uitspraak
17.1033 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de eigen bijdrage van rechtsbijstand nadat de toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) was verleend. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag grotendeels af wegens te late indiening. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel.
De Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak geen recht bestaat op bijstand voor kosten die zijn opgekomen vóór de datum van de aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Appellant stelde dat dit niet uit de wet volgt, maar dit werd verworpen. De Raad stelde vast dat de kosten van rechtsbijstand op de dag van verlening van de toevoeging door de RvR zijn ontstaan, en dat de aanvraag voor bijzondere bijstand uiterlijk op die dag moet worden ingediend.
De Raad verwierp het betoog dat een verzoek om peiljaarverlegging invloed heeft op het moment van kostenopkomst. Ook het aangevoerde beleid van het college om aanvragen pas na beslissing op peiljaarverlegging te behandelen, kon niet worden aangetoond als bestendige praktijk. Gezien de aanvraagdatum van appellant na de verlening van de toevoeging, was de aanvraag te laat. Het hoger beroep faalde en de eerdere uitspraak werd bevestigd. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage rechtsbijstand is te laat ingediend en het hoger beroep wordt afgewezen.